Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En zijn er dan officieren daarvoor opgeleid en hebben ze voldaan, behoudt ze dan in de daarvoor aangewezen betrekkingen; later kunnen ze dan optreden als leeraar aan K.M.A. of H.C. Door de praktijk krijgen ze er „slag" van en dat is hoofdvereischte. 's Zomers zal dan voldoende gelegenheid gevonden kunnen worden om in den troep dienst te doen; eene bepaalde categorie officieren daarvoor op te leiden (als bij de Marine) lijkt mij bij 't leger niet noodig; lust en roeping moeten daartoe den doorslag geven.

Wat de krijgsraadleden gedurende den mobilisatietijd betreft, uit het prae-advies van Mr. de Boer (blz 32, 84, 35, 54) blijkt, dat deze jurist er alles behalve mede ingenomen is, dat gepens. officieren daarvoor zijn aangewezen. Mr. van Slooten drukt zich op blz. 12 uit als volgt: dat hij „geen andere dan de meest aangename herinneringen (heeft) behouden en dat het (hem) persoonlijk zeer lief „is geweest, dat het met de bezetting van den krijgsraad niet anders „is geloopen^'.

„Ik ontveins mij échter niet . . . enz."

Nu wat dan! Effectieve officieren konden toen niet gemist worden, dat was duidelijk; er waren zelfs officieren te weinig hij 't Veldleger!

En ook nu in vredestijd zal het in vele gevallen zéér bezwaarlgk, zoo niet onmogelijk zijn om effectieve militaire leden te krijgen. Bij de tegenwoordige organisatiën, en het veelvuldig verloop (men beweert wel 60 °/0!) zullen in verband met den dienst geen officieren gemist kunnen worden, die nu — veel langer dan vroeger — vrijgesteld moeten worden van dienst, willen zij naar behooren hun plicht doen.

En dat zal mij toch ieder moeten toestemmen, — ik heb dit ruimschoots ondervonden — dat militaire leden daarin zitting moeten hebben en dan m.i. in uniform, zooajs steeds bij de Bossche Auditie heeft plaats gehad, niet in politiek. Er blijft dus voor aanwijzing alleen over: officieren niet geschikt voor den velddienst en gepensionneerde officieren. Men kan nu daarvoor die eischen stellen, die men noodzakelijk acht; zeer terecht zegt dan ook Mr. de Boer: „Men „moet hierbij in aanmerking nemen, dat het niet noodig is van ieder „lid van den krijgsraad alle capaciteiten te eischen" (Blz. 54.)

Doch wel, moet men, m.i. die eischen vaststellen, die noodzakelijk zijn, opdat de leden nog genoeg militair voelen en denken, om behoorlijk het militair en militair-juridisch standpunt te kunnen innemen als voor een lid van den krijgsraad vereischt wordt.

Tenslotte nog iets 'over de verdedigers

Met genoegen, en ook met succes heb ik de pleidooien gevolgd van vele advocaten, die waren toegewezen aan de beklaagden. Doch 't liefst hoorde ik officieren-juristen; zij toch waren er zoo geheel „in". Dat dit steeds zal kunnen geschieden?, 't zal nog tot de vroome wenschen gerekend moeten worden.

Ik zou daarom tot tijd en wijle dit wèl zal kunnen plaats vinden als eisch gesteld willen zien, dat de toegewezen advocaten bijzonder werk van het militair strafrecht maken of dat diegenen, die zich

Sluiten