Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een toestand van dronkenschap, van opwinding, van affect en dan vraag ik mij af: zou die man nu heusch, als hy weer eens in affect kwam, denken: „dat doe ik niet meer". En een ander, die wel eens dronken is, mag wel altijd het extract van het vonnis bij zich hebben om steeds indachtig te zijn: „daaraan begin ik niet".

Ik geloof, dat in dit opzicht die geheele wijze van rechtspleging niet alleen bij de militairen, maar ook bij de andere rechterlijke colleges geen doel heeft.

In de strafbedreiging, die ligt in het strafbaar stellen van allerlei feiten, zie ik niets dan een vreesaanjaging en nu ben ik wel geen militair, maar toch vind ik het vreemd, dat men in het militaire recht de menschen wil opvoeden door hen bang te maken en vrees aan te jagen. D&n zoek ik het met Kolonel Fabius liever in andere richting en begeer ik geen straf, wel leiding en opvoeding, maar dit is ideale toekomstmuziek. Men zie in dit verband het artikel van Prof. Kohlbrugge „In het grensgebied van het recht" van Juli 1919.

Mr. van Slooten zegt op pag. 19 van zijn prae-advies, na lof te hebben toegezwaaid aan al zijn vroegere confrères, die zich voor de verdediging alle moeite getroost hebben, — dat er ook advocaten zijn die hun taak zeer slecht vervullen en zich hadden moeten schamen daarvoor eene declaratie van tien gulden in te dienen. Negen verdedigers spraken tezamen 27 minuten en kregen daarvoor f 90.— van het Rijk.

Mijnher de Voorzitter. Ik mag het gaarne hooren, dat zoo iets royaal gezegd wordt, en bestrijd dit niet, maar de duur van het spreken is bij een dergelijke zaak: toch een verkeerde maatstaf. Hoe lang spreekt een lid van den krijgsraad bij die gelegenheden? Hij spreekt heelemaal niet, hij denkt alleen, maar dit laatste ontsnapt aan onze controle.

Wanneer men trouwens den advocaat-fiskaal, mijn gelijkgerechtigde tegenpartij, naar de lengte van zijn pleidooi, ik zeg niet naar de innerlijke waarde, zou willen betalen, dan geloof ik ook niet, dat hij aan zijn traktement komt.

Ik zou de vergadering willen verwijzen naar Edmond Picard, die aan de pleiters den raad heeft gegeven: „verveelt den rechter niet". Ik maak verder opmerkzaam op de verhooren bij het Hoog Militair Gerechtshof waar men in drie minuten de geheele zaak kan afhandelen en den beklaagde behoorlijk verhooren, en ik neem, om de woorden op pag. 29 van den eersten prae-adviseur te gebruiken, den hoed af voor hen, die hetgeen zij op het hart hebben in korten tijd weten te zeggen.

Ik neem gaarne aan dat het verkeerd was die 9 X ƒ 10.— aan te nemen, maar het aangevoerde argument acht ik onjuist.

Ik verwijs naar hetgeen gezegd is in de vergadering der Nederlandsche advocaten-vereeniging te Rotterdam, waar gesproken werd over het honorarium van ƒ 10.— dat aan de advocaten werd uitbetaald en waar gezegd werd „als hij ze tenminste wil aannemen, wat meestal niet het geval is". Van dit laatste hebben wij in Utrecht

Sluiten