Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

behandeling, de verdediging, welker toelating nu reeds in de instructie ten gevolge zou hebben een open deur voor de beklaagden.

Juist het beter onderlegd zijn van den officier-commissaris kan er toe medewerken dat bet belang van de rechtspleging gediend wordt, en aan den anderen kant zal de uitbreiding van de bevoegdheid van de verdediging, welke heusch geen kwaad kan in de instructie, wanneer deze er maar tegen opgewassen is, er toe kunnen bijdragen, dat ook het belang van den beklaagde goed gediend wordt.

De snelle berechting zal ook dit voordeel kunnen hebben, dat de delinquent zelf niet maanden lang rondloopt bij den troep, waar zijn vooronderzoek geleid wordt; dat hij niet meer in aanraking komt met politiekamer-arrestanten, die hij kan besmetten; en dat zich ook niet zal* voordoen wat zich tijdens de mobilisatie herhaaldelijk voorgedaan heeft, dat bij elke verplaatsing van compagnieën of kleine onderdeden moet gezocht «orden naar een gereserveerde wotimg voor de krijgsraadarrestanten die bij den troep zijn. Men moet hen zoo spoedig mogelijk kunnen evacueeren, dank zij een korter vooronderzoek.

Daarom lijkt mij de instelling van krijgsraden te velde onmiddellijk bij mobilisatie zeer gewenscht. Het is gewenscht de bepaling te schrappen, dat er een veldtocht moet zijn, zal men een krijgsraad te velde kunnen instellen. Men moet in vredestijd reeds kunnen beginnen met het formeeren van krijgsraden te velde, zoodat zjj onmiddellijk in geval van mobilisatie kunnen optreden.

Mijn indruk van de belangstelling, welke in het algemeen wel bij officieren bestaat ten aanzien van de militaire rechtspleging, is dan ook deze, dat die belangstelling, gelijk ik heden ook uit den mond van kapitein Stigter vernomen heb, bepaald gering is.

Wanneer het juridisch element versterkt wordt, dan kan die belangstelling aangekweekt worden. De officier, die totnogtoe een krijgsraadarrestant eigenlijk beschouwt als een object, dat onbruikbaar is in den troep, dat zoo spoedig mogelijk weg moet en dat hij ook bij zijn eigen onderdeel wel niet weder zal ontmoeten, zal dan plaats maken voor den officier, die den beklaagde ook bekijkt als iemand die èn als mensch èn als soldaat kan worden verbeterd.

Ik heb dan ook met genoegen gelezen, dat de kroniekschrijver in het Weekblad voor Privaatrecht, die aan den eersten geachten prae-adviseur niet onbekend zal zijn, zegt, dat het gebrek aan belangstelling niet ligt aan conservatisme bij het leger maar meer aan verwaarloozing. Ik hoop van harte, dat nu de mobilisatie afgeloopen is en de vredestijd teruggekeerd is, aan die verwaarloozing geleidelijk een einde zal kunnen komen.

De heer Mr. K. J. van Nieukerken:

Mijnheer de Voorzitter! Na het gesprokene door Mr. Offerham kan ik zeer kort zijn.Hetgeen ik zeggen wilde, betrof voornamelijk het vooronderzoek;

Sluiten