Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

teekening 6 Juni 1919, derhalve ruim 13 maanden na het begaan van het misdrijf. Het is niet voor wiskunstig bewijs vatbaar, maar dat op die wijze de discipline in het gedrang komt, acht ik niettemin zeker. Men herleze nog eens de zoo behartenswaardige woorden welke Mr. van Slooten op blz. 23 van zijn advies aan de noodzakelijkheid eener snelle berechting wijdt en men zal het des te meer betreuren dat de werkelijkheid daaraan zoo geheel tegenovergesteld is geweest.

Viel het hier gereleveerde euvel bjj beide deelen der weermacht te constateeren, in meerdere andere opzichten biedt de praktijk der rechtspleging bij land- en zeemacht verschil.

Moeilijkheden tusschen het militaire O. M. en de tot verwijzing gerechtigde commandeerende officieren — waaraan Mr. van Slooten op blz. 15 eenige opmerkingen wijdt — zijn, voor zoover mij bekend, bij de marine ni»t voorgekomen. Ook meen ik dat ten aanzien der zeemacht niet opgaat de ondervinding door Mr. van Slooten bij het leger opgedaan, dat n.1. de commandanten altijd in pejus oordeelen. Jaarlijks kr^jg ik de registers betreffende de opgelegde disciplinaire straffen van alle tot het commandement Willemsoord behoorende oorlogsvaartuigen onder de oogen en meermalen treft het mij dat daarin omschrijvingen van feiten voorkomen, die zeker óók wel aanleiding tot eene strafrechtelijke vervolging hadden kunnen geven. En bjj de zeemacht bestaat een voorschrift, waarbij de commandeerende officieren herrinnerd worden dat zij zich hebben te onthouden van disciplinaire afdoening van zaken, welke uit haar aard voor den krijgsraad behooren te komen. Mij dunkt een en ander wijst allerminst op een neiging om zooveel mogelijk eene vervolging voor den krijgsraad uit te lokken.

Al verder is Jiet bij de zeemacht niet noodzakelijk geweest — de wet zoude het trouwens niet veroorloven — om voor de bezetting van den krijgsraad gebruik te maken van de krachten van gepensionneerde officieren en hadden we daar dus ook niet de wel zeer eigenaardige vertooning dat een militaire rechtbank gevormd wordt door heeren in politie^.

Van afwijkingen van de wettelijke voorschriften zooals de geachte tweede prae-adviseur er eenige signaleert, is bjj de zeemacht al evenmin sprake geweest. De fiskaal b.v. heeft steeds kans gezien zijn eisch en conclusie in den bij de wet voorgeschreven vorm over te leggen, ofschoon ook de Zeekrijgsraad zeer drukke tijden heeft gehad; wel is de toename van het aantal zaken op verre na niet zoo overstelpend geweest als bij de krijgsraden der landmacht, doch hierbij moet niet , uit het oog worden verloren, dat eerstgenoemde raad, en eveneens het openbare officie, zonder eënige versterking van personeel, hetzij als plaatsvervangend, hetzij als hulp, gewerkt heeft.

Als onbevredigend wordt in beide prae-adviezen, vooral in dat van Mr. de Boer, het werk gekenschetst van den officier-commissaris en ook de secretaris heeft, door gebrek aan juridische kennis, weinig

Sluiten