Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ik uit hoofde van mjjn betrekking constateeren, dat het Departement van Oorlog heeft ingegrepen op een moment, waarop het Departement van Justiti» onmachtig bleek de vele executies tengevolge van de militaire rechtspraak ten uitvoer te leggen.

En nu moet ik mij even wenden tot den vorigen geachten spreker, den heer Gerlings, die meende dat opvoeding in de straf toekomstmuziek was.

In het «fgeloopen jaar heeft Minister de Jonge, de Minister van Oorlog destijds, toen in de gevangenissen en huizen van bewaring geen plaats meer was, inrichtingen in het leven geroepen, waarin juist het opvoedend element op den voorgrond stond en ik meen, dat niet mag worden nagelaten hem van deze plaats daarvoor een woord van hulde en lof te brengen. Wanneer het waar is, dat „Spijkerboor" en andere inrichtingen niet aan de verwachtingen hebben voldaan, is dat niet aan dien Minister en aan zijn pogingen te wijten, maar veeleer aan de principieele of zich principieel noemende dienstweigeraars, die daar zijn opgesloten geweest en die, in plaats van elkaar te hebben opgevoed, elkaar hebben geinfecteerd en omlaag gehaald in stede van omhoog gewerkt.

Thans nog enkele korte opmerkingen. Met veel genoegen heb ik in de prae-adviezen van de geachte inleiders gelezen, dat werd afgekeurd het zitting nemen in de krijgsraden in burgerkleeding. Dat beperkt zich echter niet tot de leden van den krijgsraad, maar komt voor bij de officieren-commissaris. Nog heden ten dage komt het voor, dat zich bij den arrestant vervoegt iemand in burger, die zich aan mij voorstelt als officier-commissaris. Wanneer de arrestant dan voor zulk een oflicier-commissaris gehaald wordt, moet hem eerst worden medegedeeld: welken rang die nujnheer bekleedt. Ik behoef niet te zeggen, dat ik dat zeer betreur en dat ik meen, dat nog meer dan voor de leden van den krijgsraad het voor den officiercommissaris gewenscht is, dat hij in uniform zijn werkzaamheden verricht.

Mijnheer de Voorzitter. Iets van den laatsten tijd is de militaire politie. Het is mij bekend, dat ook aan die organisatie kan worden opgedragen het verrichten van Justitieele werkzaamheden. Het is mij ook bekend, dat althans één auditeur-militair daarvan gebruik maakt, en dat dit de taak van den officier-commissaris vaak aanmerkelijk verlicht heeft. Dit mag, dunkt mij, niet onopgemerkt voorbij gegaan worden en ik hoop zeer, dat de leemte die bestaat in de procedure, wat betreft de preventieve hechtenis en de executie van straffen zoomede ten aanzien van de instructie, die geleid wordt door de militaire politie, een onderzoek moge uitmaken voor een volgenden militairen juristendag of althans voor een gedachten wisseling in een of ander tijdschrift.

5

Sluiten