Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is er nu dwazer dan tegen den gang van deze moderne en m.i. gezonde begrippen in te gaan en den eigen tuchtrechter te ontnemen aan het leger, dat dien handhaver der discipline juist heeft?

Men ziet het trouwens ook in de geschiedenis van den laatsten tijd. Er zijn geweldige revoluties geweest, ook op militair gebied; maar wat ook door de revolutie in de verschillende landen afgeschaft is, de militaire rechter niet.

Verder zou ik nog een algemeene opmerking vooraf willen laten gaan.

Ik heb heden verschillende opmerkingen gehoord, en ik heb ze ook aangetroffen in het prae-advies van mr. de Boer, welke gericht zijn tegen de wijze waarop de zaken ter openbare zitting van den krijgsraad behandeld worden. Deze opmerkingen gaan mij bijzonder aan het hart.

Wanneer de toestand zoo was, dat er hier te lande 20 of 30 krijgsraden waren, dan zouden die opmerkingen tamelijk objectief kunnen blijven. Nu er echter slechts 3 zijn, begint dat er bedenkelijk uit te zien en vraagt men zich onwillekeurig af: tot welken krijgsraad zijn die opmerkingen gericht en behoor ik daartoe niet?

De heer van Lanschot heeft er een woord over gesproken; ik wensch er iets bij te voegen.

Ik werp met den meesten nadruk en de meeste beslistheid van mij af een beschuldiging, welke hierop zou nederkomen, dat voor den krijgsraad te 's-Gravenhage de zaken oppervlakkig en cursorisch behandeld zijn. Daarvan is geen sprake geweest. Zeker niet 'onder mijn geachten voorganger, den president Zaayer, die wellicht nog liever te breed dan te vluchtig de zaken behandelde. En wat mij zelf betreft, tegen het afraffelen van zaken en het overladen van de rol is steeds met de meeste zorg gewaakt. Het is niet voorgekomen, dat de rol van den krijgsraad meer bevatte dan 15 a 18 zaken, een normaal getal dat ook altijd bij de arrondissementsrechtbanken in vredestijd als maximum werd beschouwd, terwijl deze in oorlogstijd verre daar boven gekomen zijn. De leden van den krijgsraad hebben niet geaarzeld hun tijd daarvoor zoodanig beschikbaar te stellen dat zij niet minder dan vijf keeren in de week hebben moeten zitten en dan nog moesten opkomen voor de resumties. Dus de leden van den krijgsraad waren alle dagen van de week verbonden. Voor hun medewerking mag ik hen heden nog wel eens hartelijk dank zeggen.

Ik moet derhalve dergelijke beweringen, wanneer zij gericht mochten zijn tegen den krijgsraad te 's-Gravenhage, met de\ meeste kracht van mij werpen.

Ik moet nog eens even herinneren aan hetgeen gezegd is omtrent het hooren van getuigen.

Dat hooren van de getuigen ter terechtzitting van den krijgsraad gebeurt niet zoo overvloedig als bij de rechtbank. Is dat een bewijs van mindere nauwkeurigheid van de rechtspleging? Volstrekt niet. Ik heb jaren lang gezeten in een rechtbank; ik weet precies hoe het, daar toegaat en ik weet zeer goed, dat het meerendeel van de daar

Sluiten