Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet met licht of bel behoeven te rijden, dan zou er geen enkele commandant zijn, die zou kunnen volhouden, dat door die overtredingen de tucht zóó wordt geschaad, dat naast de strafrechtelijke vervolging een tuchtstraf behoort te worden toegepast. Daarom behoort de berechting van dergelijke overtredingen niet bij den commandant, die alleen als tuchtrechter kan optreden, zooals dat bij ons het geval is.

Daarom zou het brengen van" lichte misdrijven en overtredingen ter berechting bij den commandant alleen dan goed zijn, en aanbeveling verdienen boven het invoeren van een specialen alleensprekenden rechter voor die berechting, wanneer de commandant daarbij als rechter kan optreden en het mogelijk zoude zijn allen, die voor commandant' in aanmerking komen, tevens tot goede rechters te vormen.

Ik waag te betwijfelen, of dit mogelijk is, maar dit is een quaestie, welke misschien in de praktijk uit te voeren zou zijn, ofschoon ik daar sceptisch tegenover sta.

Uit een dergelijke opvatting zou men misschien kunnen afleiden, dat ik geen voorstander ben van eene afzonderlijke militaire rechtspraak. Het zou immers niet onlogisch zijn in dezen gedachtengang te meenen, dat overtreding van een bepaald feit, dat niet tevens krijgstuchtelijk strafbaar is, eigenlijk geen bijzonder karakter heeft en dus ook geen afzonderlijken rechter behoeft.

Inderdaad geloof ik ook niet, dat om die reden militaire rechtspraak noodig is, maar toch meen ik — en ik wensch dit uitdrukkelijk te verklaren,' omdat ik verneem, dat mijn prae-advies ten deze bij enkelen een verkeerden indruk heeft gevestigd — dat men de militaire rechtspraak moet behouden, omdat deze in oorlogstijd zeer beslist noodig is.

Ik kan mij niet voorstellen, dat het mogelijk zoude zijn in een tijd, waarin alle mogelijke takken van dienst ondergeschikt worden gemaakt aan het leger en dus aan de militaire autoriteit, ten einde dat leger de hooge roeping te laten vervullen waartoe het is aangewezen, namelijk het land te verdedigen tegen een buitenlandschen aanval en de onafhankelijkheid te handhaven, — dat het dan mogelijk zou zijn de militaire autoriteit niet volkomen met.dat gezag te bekleeden, dat zij noodig heeft. Men zou aan dat gezag iets ontnemen door naast haar te plaatsen den burgerlijken rechter, die een bepaald onderdeel van het leger of burgers, die ter beschikking van die autoriteit moeten blijven, aan haar gezag te onttrekken, bijvoorbeeld door preventieve opsluiting.

Ik acht het beslist noodzakelijk, dat in oorlogstijd de militaire commandant moet kunnen beoordeelen, of er, in verband met de ernstige omstandigheden, welke dan bestaan, aanleiding is niet alleen militairen, maar dikwijls ook burgers, b.v. in bezette gebieden, voor den rechter te brengen.

Geldt dit voor gebieden, die in staat van beleg verkeeren, nog veel meer geldt dit voor het operatiegebied van het veldleger waar

Sluiten