Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de militaire macht alles wat in strijd zou kunnen zijn met het algemeen belang terstond den kop moet kunnen indrukken.

Wanneeri men dus -in oorlogstijd den militairen rechter niet zal kunnen missen, geloof ik, dat daaruit vanzelf volgt, dat ook in vredes- en mobilisatietijden een militair-rechterlijke macht noodig is.

Men zegt wel eens, dat oorlogstijd een abnormale tijd is. Als men hieraan de beteekenis hecht, dat oorlogstijd minder langdurig is dan vredestijd, ben ik het daar natuurlijk geheel mede eens, maar dan volgt daar nog niet uit, dat men de organisatie naar de behoeften van den> tijd moet inrichten, die men dan normaal noemt. Men moet niet vergeten, dat de militair-rechterlijke organisatie er is met het oog op den oorlog en dat men dus moet vragen: op welke wijze organiseert men die voor den oorlog het doelmatigst? Als men ervan overtuigd was, dat er nooit oorlog zou komen, dan had men het geheele leger en de geheele vloot niet noodig en dus ook niet een militair-rechterlijke organisatie.

Nu heeft de spreker, die mij voorafging, gezegd dat het hem verwonderd heeft dat hier niet ter sprake gekomen is de vraag, of de inilitaire rechtspraak zal moeten blijven bestaan.

Ik had eigenlijk heelemaal niet verwacht, dat die vraag hier gesteld zou worden; niet alleen omdat de commissie die zaak buiten bespreking heeft gehouden, maar ook omdat ik meen dat de ondervinding, die men in den thans afgeloopen oorlog opgedaan heeft, niet alleen in de oorlogvoerende landen, maar ook hier te lande, uitgewezen heeft dat de strooming tegen de militaire rechtspraak buitengewoon zwak is geworden. De heer van Slooten heeft er reeds op gewezen, dat men er in de ergste revolutionaire landen na den oorlog zelfs niet aan getornd heeft. Ik zou hieraan nog willen toevoegen, dat in Frankrijk bij de bespreking van de verschillende wetten, welke in dezen tijd gemaakt zijn om de militaire justitie te verbeteren, menschen die zeer aan den rooden kant stonden niet geaarzeld hebben om te verklaren, niet alleen dat de militaire justitie in oorlogstijd noodzakelijk was, maar zelfs dat de militaire rechtbanken, van het front, welke dus in de oogenschijnlijk ongunstigste omstandigheden werkten, veel beter voldeden dan de militaire rechtbanken, welke achter het front fungeerden. Dit vind ik hierom een merkwaardige uiting, omdat daaruit eigenlijk blijkt, hoezeer het nuttig en juist is, dat in dergelijk militair milieu als in een streek, waar oorlog gevoerd wordt, een militaire rechtspraak wordt, uitgeoefend.

Wanneer men van dat nut overtuigd is, dan geloof ik, dat men ' het niet eens kan zijn met wat kolonel Fabius bepleit heeft — andere sprekers hebben het er ook over gehad —, nl. om aan de militaire auditie het recht te geven te verwijzen zonder den militairen commandant daarin te kennen. Ik weet wel, dat eigenlijk van het recht van den militairen commandant tot verwijzing in de praktijk zeer weinig terecht gekomen is, en ik betreur dat zeer; inderdaad wanneer men het recht tot verwijzing bracht naar de auditie, dan

Sluiten