Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het verlaten van dit gesticht vele moeilijkheden zouden ondervinden in de maatschappij.

Hun, die meenden, dat de Orde van Vrijmetselaren geene gestichten moest oprichten, werd gewezen op het Mac. weeshuis te Stokholm, het gesticht voor weeskinderen te Praag, op de Mac. kweekscholen te Dresden, Leipzig en Göslitz, op de Augusta-Stichting te Berlijn en op vele Engelsche Mac. opvoedingsinrichtingen.

Het Hoofdbestuur was dan ook zöö overtuigd van de noodzakelijkheid der uitvoering van het op het Groot-Oosten van 1863 genomen besluit, dat het in 1864 voorstelde, het Liefdefonds zoo spoedig mogelijk tot een voldoend kapitaal te brengen. Dat voorstel werd in 1864 bij acclamatie aangenomen zonder eenige tegenspraak te ondervinden.

Door de Loges werd evenwel niet die steun en belangstelling betoond, die men met eenig recht voor zulk een schoon doel had mogen verwachten, wat den Heer Noordziek aanleiding gaf een werkje uit te geven ten voordeele der Stichting, waarin dit ontwerp uitvoerig werd uiteengezet, zoodat niemand zich meer kon verschuilen achter de verontschuldiging onbekend te zijn geweest met de plannen van de Commissie, door den Grootmeester benoemd bij besluit van 27 November 1865.

Deze Commissie bestond uit de volgende Heeren:

J. van Lennep. . . . . • Gr. Redenaar.

j. J. F. Noordziek .... Gr. Secretaris.

F. L. Willekes Donald . . Eerste Gr. Onderzoeker.

J. ter Gouw Voorz. der Loge «La Charité».

B. L. W. Mensing .... Voorz. der Loge «L'Union Royale».

N Bosz Voorz. der Loge «De Drie Kolommen».

Zij hield hare eerste vergadering op den 30sten December 1865, waarbij de Gr. Redenaar tot Voorzitter en de Gr. Secretaris tot Secretaris werd gekozen.

Den 25slen Juni 1865 overleed te 's-Gravenhage de Heer Jean Joachim Gosselin, in leven Commies bij het Ministerie van Koloniën, die, bijna zijn geheel vermogen nalatende aan de algemeene armen, bovendien eene som van ƒ 20000 bestemde ten behoeve van een stichting voor kinderen van minvermogende Vrijmetselaren. Tienduizend gulden moesten besteed worden voor de oprichting van het gesticht, terwijl tienduizend gulden op het Grootboek moesten worden belegd, rente op rente, voor den tijd van 50 jaar, om na verloop van dien tijd te dienen tot onderhoud dier inrichting.

De uitgave van het werkje van den Heer Noordziek over de plannen der Commissie verscheen in April 1866, en gaf o. a. de teekening van een te

Sluiten