Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ook al om den geest in de Stichting te verbeteren besloten Regenten, door ervaring geleerd, geen binnenmoeder meer aan te stellen, daar deze betrekking steeds aanleiding gaf tot eigenaardige moeilijkheden. Door het zoeken naar meerdere hulp buitenshuis kwam men hieraan tegemoet.

Daar zich de behoefte had laten gevoelen aan eenige vertrekken voor zieken, werd in 1880 een gebouw in den tuin gezet, dat dienst zou doen als ziekenhuis. Dit gebouw bevatte twee ziekenkamers, oppassersvertrekken en was voorzien van waterleiding en badtoestellen. Het geheel was een geschenk van den Hoogen Beschermheer der Stichting, die daardoor een hernieuwd bewijs gaf voor zijne groote liefde voor de Inrichting.

Al mocht de Stichting zich in de algemeene sympathie verheugen, toch lezen we in het jaarverslag van 1880 reeds, wat Regenten nog zoo dikwijls moeten herhalen; «En neemt de Stichting in oogenschouw, onderzoekt en «stelt U op de hoogte, hoe de kinderen die daar verpleegd worden, worden «opgevoed en onderwezen, en we houden ons overtuigd, dat Uwe giften ons «in de ruimste mate zullen toevloeien.»

In 1881 trof de Stichting een groote slag, door den dood van haren Beschermheer. Met weemoed wordt in het verslag daarvan melding gemaakt. Het is hier niet de plaats om na te gaan wat deze Broeder al deed voor den bloei en het welzijn der Orde. Men behoeft echter geen Vrijmetselaar te zijn onl dezen telg van het huis van Oranje te kunnen eeren en liefhebben. Dr. .1. ten Bkink zegt: «Te beschrijven wat hij in de laatste vijftig jaren voor zijn Huis en zijn Vaderland geweest is, zal wel aan niemand gegeven worden. Het Nederlandsche volk eerde hem als een rechtschapen vorst,-wiens daden in het openbaar en in het bijzonder leven den stempel droegen dier merkwaardige woorden, tot zijnen broeder, den Prins van Oranje, gesproken tijdens den slag bij Leuven: «Ehrlich wahrt am langsten!» Met dit woord kan het vier en tachtig-jarig leven van Prins Frederik worden geschilderd. Geen volksbelang, geen edel plan, geene persoonlijke verdienste in wetenschap of kunst, die niet door hem werd'gesteund en beschermd. Hij was een vijand van geruchtmakende eerebetuigingen en daarom zal men wel nimmer weten, wat hij in stilte deed voor ongelukkigen en zwaar beproefden. Dat zijn doorluchtig voorbeeld niet tevergeefs tot ons spreke! Dat zijn vlekkeloos leven ons beziele tot daden in zijnen geest, dan zullen we niet hebben te blozen, wanneer de Muze der historie ons herinnert aan

PRINS FREDERIK DER NEDERLANDEN.»

Zijn naam zal voort blijven leven in onze 'Orde, voor altoos zullen

Sluiten