Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijne gemalin Prinses Louisa Beschermheer en Beschermvrouw der Stichting, namens H. K. H. Prinses van Wied, geb. Prinses Maria der Nederlanden.' De voorzitter sprak namens allen een woord van diepgevoelden dank, wat kan de Stichting meer op prijs stellen dan de portretten van de leden van het huis van Oranje, waaraan de Orde in het algemeen groote verplichtingen heeft, dan het portret van den vroegeren Beschermheer der Stichting, die zoon' krachtigen stoot gaf aan de oprichting ervan.

Deze feiten wijzen alle op eene steeds groeiende sympathie voor de Louisa-Stichting.

Op eigenaardige wijze gaven van deze liefde voor het werk der Stichting in de laatste jaren eenige Loges blijk, die alle bewoners der Stichting in een der zomermaanden voor een of twee dagen te logeeren vroegen.

Onder geleide van directeur en directrice werd dan de reis ondernomen, en steeds stonden bij aankomst de gastheeren hunne neefjes en nichtjes op te wachten. Op recht prettige wijze werd dan de dag doorgebracht, en was de reis te ver, zooals dit het geval was te Utrecht, Nijmegen, Arnhem en Groningen, dan werden allen des nachts bij verschillende .familie's ingekwartierd en werd er een dag aan vastgeknoopt.

Deze dagen hebben het dubbele voordeel, dat de Loges de kinderen der Stichting leeren kennen en de geest waarin zij worden opgevoed, de kinderen leeren den band kennen, die hunne vaders eens verbond aan de leden der Loges.

Den 22stc» Juni 1901 werd tot directeur der Louisa Stichting benoemd de Heer F. B. Rijkmans, die deze betrekking in Augustus daaropvolgende aanvaardde. Reeds in 1903 nam Mevrouw Rijkmans ontslag als directrice, daar hare gezondheid niet toeliet hare betrekking verder naar belmoren te vervullen. Daar Regenten den Directeur gaarne in zijne betrekking wilden handhaven, benoemden zij Mejuffrouw J. B. Dammerman als directrice der Stichting. Met veel ijver en toewijding kweet zij zich van hare taak, en beantwoordde daardoor ten volle aan de goede verwachtingen, die het Bestuur van haar koesterde.

De Heer Rijkmans , meenende dat een langer verblijf in de Stichting voor zijne Echtgenoote niet wenschelijk was, diende om die reden bij het College van.Regenten zijn ontslag in, dat Regenten, die de redenen billijkten, hem verleenden onder dankzegging voor alles wat hij voor de Stichting gedaan had.

Tijdelijk stond nu Mejuffrouw Dammerman aan het hoofd der Stichting. Met hoeveel tact zij zich ook van haren taak kweet, toch meenden Regenten dien toestand niet lang te moeten laten voortduren en benoemden in April 1905 den Heer G. Bos Hzn. , die nog aan het hoofd der Stichting staat.

Hoe doelmatig ook in den aanvang ingericht, waardoor het voldeed aan

Sluiten