Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den 13de" Maart en den 7de» Juni hoe of we daar vaak genoten bij het

lezen van een boek uit de toen nog karig bedeelde bibliotheek.

Was het dat gevoel van eigenheid, van kalmeerende rust, van innige vertrouwelijkheid, van kinderlijke zorgeloosheid, hetwelk uit alles in die omgeving sprak, waardoor ons dat huis zoo gezellig, zoo aangenaam was?

Evenals 't groote menschenleven één keten van altegader kleinigheden is, zoo ook ons huiselijk thuis!

Waar ter wereld gevoelt men zich zoo thuis dan juist in zulk een geriefelijk ingerichte omgeving, waar we als door een «ouderenpaar» met de meest toewijdende en opofferende liefde werden groot gebracht, zonder van zorgen of kommer en leed te hooren reppen?

Of de vloer belegd is met een Smyrnaasch tapijt, dan wel met een mat van biezen, of de wanden bedekt zijn met kostbare gobelins dan wel met witkalk wat beduidt het vooral voor een in-gezonde zorgelooze jeugd tegenover de wijze waarop men er vertoeft en zich onderling gedraagt? Daar klonk de lach 't hartelijkst, 't lied 't mooist, daar vloeide soms de traan in alle oprechtheid, daar bestond geen veinzerij of grootspraak, daar was men in den edelsten zin als «broeders» en «zusters» onder elkander. Door duizenderlei kleine zorgen — destijds hebben we het wel niet altijd evengoed begrepen — werd de Stichting in die dagen ons gemaakt tot een heiligdom en een wijkplaats, tot een plekje, vanwaar onze opvoeders hun zegenenden invloed op ons deden uitgaan.

Bij 't klimmen van 't aantal pupillen werden langzamerhand wijzigingen in het inwendig beheer en in het gebouw gebracht; de z. g. jongenswerkkamer met zijn wijd openslaande deuren werd in gebruik genomen, de deur van het

scheidingsmuurtje in den tuin ging op slot die heerlijke tuin, waarin we

zoo naar hartelust konden spelen, hollen en ravotten, dat aangename zitje onder dien bruinen prachtbeuk, die gymnastiektoestellen, waaraan we vaak

onderling onze krachten maten 't zijn souvenirs, welke ons heilig zullen

blijven ons gansche leven lang.

Toch kwamen er in de verdere jaren, vooral door het toenemen van het getal pleegkinderen, kleine wolkjes opzetten, ook aan dezen eens zoo helderen

hemel 't gebod van het heilige moeten was destijds voor ons kinderoog

nog niet te doorzien; de strengere afscheiding bij het stijgen der jaren, een helaas! soms naar 't weeshuis riekende tucht, het wel eens onoordeelkundig optreden eener z. g. binnenmoeder met wie men wel eens, zooals dat meermalen gaat met subalterne suppoosten, op voet van oorlog leefde maakten, dat de nauwaaneengesloten geest, de zoo heusche toon, welke onder de eerste pleegkinderen zoo recht hartelijk en welmeenend, zoo ongedwongen en welwillend was geweest, eenigszins afsleet. Was die overgang misschien te snel

Sluiten