Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dezelfde moeilijkheden, die men in ieder huisgezin ondervindt met een klein aantal kinderen, wordt in de Louisa-Stichting, waar het aantal zooveel grooter is, dubbel gevoeld.

Mag men bij het spel der kleinere kinderen toestaan, dat geheel de ingeving van het oogenblik wordt gevolgd, aan de liefhebberij-bezigheden der ouderen dient men naar onze bescheiden meening andere eischen te stellen.

Van het spel onderscheiden zich de liefhebberijen, door dat de laatste gericht zijn op een doel, dat niet van de ingeving van het oogenblik afhangt. Wordt bij spel gedacht aan de resultaten van het oogenblik, bij liefhebberijen ligt het doel een trapje hooger, het zal pas later bereikt worden. Het verzamelen van postzegels, het bewerken van een tuintje, het opkweeken van konijnen en duiven, het werken in hout en karton, het bespelen van een muziekinstrument, het maken van handwerken zijn uitspanningen, die terzelfder tijd inspanning eischen. Aan de liefhebberijen, die een kind er op na houdt, aan de wijze waarop het deze liefhebberijen uitoefent, kan men het geheel leeren kennen.

Het is een groote kunst van arbeid ernst te maken; aan te bevelen is 't, het kind met raad en daad terzijde te staan, zonder al te zeer in te grijpen. Bij die liefhebberijen mag regel en orde, netheid en volharding niet ontbreken en moet vooral gewaakt worden tegen luimen, die sommige naturen van den hak op den tak doet springen, die sommige kinderen deze week met dit, de volgende week weer met dat doen beginnen. Zelden brengt zoo'n wispelturig kind iets goeds tot stand.

Doelloos werk geeft geen voldoening en wie zich op eene liefhebberijbezigheid toelegt, moet tot een doel komen; wie begint te zaaien en te wieden, moet vruchten willen oogsten, want het einde kroont het werk.

Worden dus de jonge Louisianen gewend aan geregelde bezigheid, die tot een vooropgesteld doel voert, dan ligt daarin een opvoedende kracht. Dan is de vrucht niet alleen, dat van het kwade wordt afgehouden, maar ook aan karaktervorming zal zijn gewerkt.

Waar Bitter spreekt over het zedelijk standpunt van den man en de vrouw, zegt hij, het grooter zedelijk gehalte der vrouw niet te zoeken in den meer afgesloten levenskring, waarin zij zich beweegt, maar veel liever aan te nemen, dat het verschil ligt in de opvoeding. Naar #ie overtuiging voeden wij onze meisjes beter op dan de knapen, in zooverre wij haar niet toestaan zich te onttrekken aan de goddelijke wet, die aan het lichaam het juk van den arbeid oplegt. Al werken zij ook niet allen in het zweet des aanschijns, toch is er nog nimmer een tijd geweest, waarin het meisje in het tijdperk van hare opvoeding niet deel moest nemen aan den huiselijken arbeid, geen kennis van en vaardigheid in nuttige en belangwekkende bezigheden moest verwerven.

Sluiten