Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„de ziekte en hadden vele veehouders een sterke neiging de verschillende cijfers „zoo hoog mogelijk op te drijven en kostte het wel eens moeite de werkelijke „schade eenigszins nauwkeurig op te nemen. Toen echter beter de strekking van „het onderzoek begrepen werd, kwamen deze gevallen slechts zelden meer voor.

„Slechts één veehouder weigerde de schade op te géven.

„Enkelen hadden bezwaren, omdat' zij vreesden, dat wanneer de schade „zeer groot zou blijken te zijn. de Regeering misschien zou besluiten het afmaaksysteem weer in te voeren.

De districtsveearts te Qroningen schrijft:

„Enkele veehouders weigeren gegevens voor het invullen der lijsten te „verstrekken.

„Over het geheel zijn de opgegeven verliezen te laag geraamd. Men wil „in het algemeen de schade kleiner doen schijnen dan ze is, omdat men hoopt „op deze wijze te ontkomen aan wederinvoering van het afmaaksysteem."

De Subcommissie meent derhalve, dat over het algemeen, enkele uitzonderingen daargelaten, de medewerking der veehouders niet onbevredigend is geweest. Alleen voor het district Maastricht en in mindere mate oök voor Groningen schijnt te dezen opzichte een voorbehoud gemaakt te moeten worden.

§ 2. De omvang van het schadeonderzoek.

De bedoeling der Staatscommissie was een zoo objectief mogelijk inzicht te verkrijgen in den aard en omvang van de schade, welke de epizoötie 1918 /1919 heeft veroorzaakt. Derhalve achtte de Subcommissie het van belang, dat van een zoo groot mogelijk aantal veehouders gegevens omtrent de schade werden verkregen.

In het overgroot gedeelte van Nederland is het mogelijk gebleken een volledige enquête naar de schade te houden, doordat aldaar bij alle of wel bij nagenoeg alle veehouders, wier vee door de epizoötie 1918/1919 aangetast was. de schade is opgenomen.

Alleen in de provincie Overijssel zijn' slechts negen gemeenten volledig onderzocht. Het zoo veerijke veeartsenijkundig district Leiden is voorts door de Subcommissie geheel uitgeschakeld. Wel is ook aldaar onder leiding van den districtsveearts een schadeonderzoek gehouden, doch slechts gedeeltelijk is dit onderzoek op den grondslag van de vragenlijst der Staatscommissie geschied. Te voren was n.1. door den betrokken districtsveearts reeds op eigen initiatief een enquête begonnen, waarbij echter niet alle door de Staatscommissie noodig geoordeelde gegevens waren opgenomen. Zoodoende heeft ten slotte het schadeonder-

Sluiten