Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

opneming van de schade te doen geschieden na het einde van de schadeperiode. Dit werd in het bijzonder belet, doordat in bepaalde opzichten nog geruimen tijd na het einde van ziektegevallen schade nawerkte of zich zelfs voor 't eerst ging openbaren. In onderscheidene rapporten van districtsveeartsen wordt er dan bok speciaal op gewezen, dat er schade buiten de waarneming van het onderzoek is gebleven, omdat alle gevolgen der ziekte bij de schadeopneming nog niet waren te overzien.

Tot deze niet-volledig in de tabellen weergegeven schade behoort dan vooral de melkschade, omdat veelal geen rekening gehouden kon worden met het feit, dat de melkgift van door de ziekte bezochte dieren meermalen gedurende de geheele lactatieperiode beneden de normale blijft, soms in die mate, dat de dieren ten slotte voor de melkerij geheel verloren blijken te zijn.

De districtsveearts te Maastricht wijst er verder op, dat vraag 4 niet steeds met zekerheid kon worden beantwoord; vele dieren waren tijdens het onderzoek nog kreupel of herstelden eerst veel later of werden na verloop' van tijd nog opgeruimd. Ook bleek de schade door dampigheid voor velen niet nauwkeurig mede te deelen, aangezien dampigheid eerst gedurende den staltijd goed is waar te nemen.

Verder bleef in het district Maastricht vraag 9 (hoe groot was Uw schade geleden door de mindere qualiteit van boter en kaas) onbeantwoord, daar opgaven te dezer zake niet konden worden 'verkregen- De districtsveearts schrijft daaromtrent: „De boter- en kaasmakerij beperkt zich tot eigen gebruik. Schade „door kwaliteitsvermindering is daardoor, vooral ook gezien de vlotte plaatselijke „afname, wegens heerschend gebrek óf zeer onbeduidend öf niet in cijfers uit te „drukken."

De districtsveearts te Venlo wijst er voorts nog op, dat bij klauwverzweringen en uieraandoeningen met een veelal zeer slepend verloop dikwijls na maanden de afloop nog niet is te voorzien, dat de gevolgen van het driespeens worden, het verwerpen en het sterven van goede fokkalvéren dikwijls nog te licht worden geteld en herhaaldelijk eerst na geruimen tijd als schadelijk gevolg van de ziekte stilstand in groei wordt ontdekt.

De Subcommissie wijst er dus met nadruk op, dat men bij het trekken van conclusies uit de in de tabellen gepubliceerde resultaten van het schadeonderzoek in acht moet nemen, dat de totaalschade nog hooger moet worden gesteld, dan die tabellen aangeven.

Daarnevens moet er op worden gewezen, dat de epizoötie 1918/1919 reeds weder achterhaald is door eene nieuw opgetredene, die nog niet geheel is af-

Sluiten