Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Deze os werd niet door mond- en klauwzeer aangetast; echter ook een contröleos, die een gelijke hoeveelheid smetstof intraveneus ontving, bleef gezond.

Deze proef is derhalve niet geschikt om een bepaalde conclusie te trekken.

14 April 1920. Bij 9,5 kubieke centimeter filtraat van karnemelk, hebbende Proef VII. een titerzuurgraad van 26,3 (SH), werd gevoegd een halve kubieke centimeter blaarinhoud en na 1 minuut intraveneus ingespoten bij een os.

Dit dier werd door mond- en klauwzeer aangetast.

Uit deze proef blijkt, dat de inwerking van het Altraat van karnemelk met een titerzuurgraad van 26,3 (SH) gedurende 1 minuut, niet lang genoeg is om de smetstof van het mond- en klauwzeer te dooden-

14 April 1920. Bij 9,5 kubieke centimeter filtraat van karnemelk met een Proef VIII. titerzuurgraad van 26,3 (SH), werd gevoegd l/2 kubieke centimeter blaarinhoud en /j kubieke centimeter eener opzwemming van eene in physiologische keukenzoutoplossing fijn verdeelde massa van het exsudaat, dat den inwendigen wand eener geopende blaar bekleedde. Vijf minuten later werd deze massa intraveneus ingespoten bij een rund. Dit dier is gezond gebleven, terwijl een contröle-rund, dat met een gelijke massa intraveneus werd ingespoten, door mond- en klauwzeer werd aangetast.

Hieruit mag men aannemen, dat eene inwerking van vijf minuten van een filtraat van karnemelk met een titerzuurgraad van 26,3 (SH) voldoende is om de smetstof van het mond- en klauwzeer onschadelijk te maken.

Bij deze proeven is verder gebleken, dat eenige der dieren, die niet door mond- en klauwzeer werden aangetast, nadat zij ingespoten werden met kaasweismetstof of met karnemelkflltraat-smetstof, niet tegen genoemde ziekte immuun waren geworden, want toen deze dieren later met onvermengde smetstof werden ingespoten, trad mond- en klauwzeer op.

Uit de genomen proeven met kaaswei en filtraat van karnemelk moet men aannemen, dat deze stoffen in hooge mate het vermogen bezitten, de smetstof van het mond- en klauwzeer onschadelijk te maken.

Evenwel moeten deze stoffen tenminste vijf minuten inwerken, want na eene inwerking van 1 minuut (zie proef VII), was de smetstof niet gedood, maar nog in staat mond- en klauwzeer te veroorzaken.

Uit de genomen proeven mag men wel de conclusie trekken, dat in verzuurde ondermelk, die, zooals bekend is, in niet-verzuurden toestand het vermogen bezit de smetstof van het mond- en klauwzeer te verspreiden, deze smetstof eveneens onschadelijk gemaakt wordt.

Op grond van deze onderzoekingen mag men aannemen, dat het niet

Sluiten