Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Staatscommissie inzake mond- en klauwzeer brengt ter kennis van belanghebbenden, dat zij bereid is hen, die wenschen te doen onderzoeken, welke waarde is te hechten aan aangeprezen middelen ter voorkoming en genezing van mond- en klauwzeer, doch bezwaar hebben zoodanige middelen overeenkomstig de in Staatscourant No. 144 van 30 Juni 1919 gedane oproeping af te geven, alsnog inde gelegenheid te stellen zelf de werking van hun middel onder toezicht der Staatscommissie in de praktijk te demonstreeren.

Belanghebbenden gelieven zich daartoe schriftelijk aan te melden bij Prof. Dr. J. Poels, Directeur der Rijksseruminrichting te Rotterdam of bij Prof. Dr. L. de Blieck, Directeur van het Instituut voor parasitaire- en infectieziekten der Veeartsenijkundige Hoogeschool te Utrecht.

Op 21 October 1919 was aan 29 personen deze mededeeling gezonden, terwijl slechts 7 hiervan zich voor demonstratie aanmeldden. Het aantal aanbiedingen van middelen en adviezen ter bestrijding nam echter vanaf dat tijdstip schrikbarend toe; velen wilden zieke koppels door de Commissie zien aangewezen, anderen wilden besprekingen, weer anderen boden middelen te koop aan. Steeds zijn aan ieder de voorwaarden, waaronder gedemonstreerd kon worden, schriftelijk medegedeeld; aan personen, die een onderhoud wenschten, is zulks toegestaan.

In verband met den steeds aanhoudenden stroom van aanbiedingen is in de vergadering van 25 November 1919 besloten de gelegenheid tot aanbieding tot 15 December 1919 en tot demonstratie tot 1 Januari 1920 open te stellen. Ook hiervan is wederom in de Staatscourant (2 December 1919 No. 254) en in dag- en weekbladen op de volgende wijze kennis gegeven:

BEKENDMAKING.

De Staatscommissie in zake mond- en klauwzeer brengt ter kennis van belanghebbenden, dat uiterlijk tot en met 15 December a.s. middelen ter voorkoming en genezing van mond- en klauwzeer ingevolge de bekendmaking in Staatscourant No. 144 van 1919 en aanmeldingen voor de demonstratie van die middelen ingevolge de bekendmaking in Staatscourant No. 226 van 1919 kunnen worden ingezonden.

Aan hen, die reeds aangeboden hadden te demonstreeren, is afzonderlijk schriftelijk mededeeling gedaan.

Dit is ook uitgestrekt tot een groot aantal aanbiedingen, welke reeds bij den Minister van Landbouw waren binnengekomen vóór het instellen der Commissie en nu om advies in handen der Subcommissie waren gesteld.

Al deze mededeelingen geschiedden ten einde zekerheid te hebben, dat niemand kon worden geacht onkundig te zijn van de werkwijze der Commissie; toch wilden later sommige bezitters van middelen onwetendheid omtrent den gestelden termijn voorwenden.

Een vrij groot aantal demonstraties heeft tot Januari 1920 plaats gehad, doch verschillende inzenders vroegen verlenging van den termijn, en nieuwe middelen werden steeds weer aangeboden.

Daar het mond- en klauwzeer tegen het einde van den staltijd zeer

Sluiten