Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2°. dat de immuniteit bovendien ook van het vaderdier op het kalf zou overgaan.

Het onder i°. bedoeld principe acht de Staatscommissie geheel in strijd met de waarnemingen.

Er ontstaat slechts eene voortdurende geringe immuniteit, ingeval de moeder niet lang vóór het kalveren de ziekte heeft doorstaan. Het is herhaaldelijk gebleken, dat zelfs deze kalveren wederom spoedig de ziekte kunnen krijgen ook met doodelijk verloop.

De onder 2°. bedoelde stelling is eene theorie, die in strijd is met al hetgeen omtrent immuniteit bij mond- en klauwzeer bekend is. Alleen bij hondsdolheid schijnt de immuniteit door het vaderdier op de vrucht overgebracht te kunnen worden. Bij het mond- en klauwzeer is tijdens de verschillende epizoötiën, in het bijzonder in i.Qig en 1920, van eene dergelijke overerving niets gebleken.

De heer Mulder haalt veelvuldig het werk aan van Dr. A. Vrijburg, die m Indië, door de dieren 2 a 3 maal opzettelijk te besmetten, langdurige immuniteit verkreeg.

Dit is der Staatscommissie voldoende bekend, doch daarbij behoort tevens te worden vermeld, dat Dr. vrijburg eveneens mededeelt, dat hij zelfs in koppels, waarvan de runderen telkens besmet werden, nooit onvatbaarheid der kalveren waarnam en dat de immuniteit op de kalveren alleen slechts in zeer geringe mate overgaat en dan nog van korten duur is, indien zij in het intra-uterine leven de ziekte met de moeder doormaken.

De Subcommissie acht het niet wenschelijk, experimenten in de door den heer mulder aangegeven richting te nemen.

De heer C. de vries te Amsterdam, heeft de Commissie veel werk gegeven. In zeer uitvoerige betoogen, zoowel aan de Commissie als aan den Minister van Landbouw, heeft hij uiteengezet, dat hem bekend waren de oorzaak van- alle besmettelijke ziekten en de middelen ter bestrijding. Niettegenstaande het geheel den indruk gaf geen wetenschappelijke basis te hebben, heeft de Commissie toch den heer de vries in de gelegenheid willen stellen zijn geheimen mede te deelen. Hij eischte daarvoor echter ƒ 100.000.—. Op verschillende manieren is door den heer de vries getracht van de Reg eering zekerheid te verkrijgen, dat hem deze som zou worden uitbetaald, indien zijn mededeelingen juist zouden blijken; hij wilde bovendien een eigen onderzoekingscommissie. De Commissie heeft echter aan het standpunt vastgehouden, dat geen geldelijke beloften konden gedaan worden voordat de heer de vries zijn mededeelingen zou hebben gedaan aan de bestaande Commissie.

Een onderhoud, dat de Secretaris der Commissie met den heer de vries had bracht de zaak niets verder. Ten slotte heeft de heer de vries niets meer

Sluiten