Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Er is misschien geen middel met meer reclame aangeprezen dan dit. Advertenties in dagbladen, lijsten van veehouders, die gunstige verklaringen aflegden omtrent de werking van het middel, uitgebreide gedrukte gebruiksaanwijzingen moesten den indruk geven, dat het een ernstige zaak betrof en dat werkelijk het wondermiddel was gevonden.

Helaas, ook dit middel bleek waardeloos te zijn voor het doel, waarvoor het werd aangeprezen.

De heer Bijlmer is pédicure te Amsterdam en had, waarschijnlijk door zijn ervaring met menschenvoeten, ook een recept bereid voor kwalen aan de klauwen van runderen, benevens een smeersel voor de aandoeningen van den mond bij het mond- en klauwzeer. De naam van het middel gaf den indruk, dat het eenvoudig was toe te passen.

Het middel is door de Commissie scheikundig onderzocht.

De behandeling der zieke dieren geschiedde met een smeersel, genaamd „Eenvoud".

Voor de behandeling van den mond en de klauwen werden twee verschillende middelen verstrekt, „Eenvoud I" en „Eenvoud II", welke met speciaal daarvoor vervaardigde kwasten op de aangetaste plaatsen worden gesmeerd.

Vooraf dienden de mond en de neusgaten met spons en water goed gereinigd te worden, evenzoo de klauwen op de wijze als in de door hem gegeven gebruiksaanwijzing was vermeld.

De mond behoefde slechts twee of drie maal te worden behandeld; van het aantal malen, dat de klauwen moesten worden ingesmeerd werd niets naders vermeld; slechts, dat met één fleschje wel 30 pooten waren te behandelen, hetgeen omtrent de uitwerking van het middel natuurlijk niets zegt.

Met de middelen zijn verschillende proeven genomen.

In de eerste plaats is gedemonstreerd bij den veehouder S. IMMIKER te Oostenwolde (Elburg), waar Dr. K. BuCHLI het middel door den uitvinder heeft zien aanwenden.

Op den stal van I. waren aanwezig J melkkoeien, 1 guiste koe, 1 pink en 5 graskalveren. Op de 2 melkkoeien na waren alle reeds aangetast, maar toonden uitwendig niet veel ziektesymptomen. De blaren waren bij al de aangetaste dieren reeds doorgebroken.

Vier koeien werden behandeld, vier dienden voor controle. De jonge dieren zrjn uitgeschakeld, die waren zoo weinig ziek, dat hier de behandeling allicht een al te goedkoop succes zou gehad hebben.

De heer B. gaat uit van de stelling, dat het inslikken van den blaarinhoud en de resten van de doorgebroken blaren de dieren daarna ziek maakt en sterfte veroorzaakt. Voorwaar een zeer vreemde opvatting.

Met een spons en met water reinigt hij nu den mond en gaat vervolgens

Sluiten