Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Voor de proef aan het Instituut voor parasitaire- en infectieziekten werd een reeks kalveren van 9 stuks na een quarantainetijd van 10 dagen op den I3den November 1919 aan kunstmatige en natuurlijke besmetting onderworpen. Hiervan werden de Nos. 89 en 81, 86 en 90 kunstmatig geïnfecteerd door ze 1/100 cc. lymphe in den ader te spuiten. Reeds 2 dagen te voren was begonnen met de toediening van tryposafrol, hetgeen tot 5 dagen na het begin der ziekte werd voortgezet. De Nos. 86 en 90 bleven onbehandeld. De Nos. 89 en 86 waren reeds 24 uur na de infectie ziek, No. 90 na 2 dagen, terwijl No. 81 pas na 4 dagen temperatuursverhooging en blaren kreeg.

Alle 4 kalveren vertoonden blaren zoowel in den mond als tusschen de klauwen, de slijmvliesdefecten waren vrij uitgebreid.

Nos. 89 en 81, de behandelde dieren, werden genezen geacht na resp. 10 en 11 dagen, terwijl de controle-kalveren resp. na 11 dagen hersteld waren. No. 87, aan natuurlijke infectie blootgesteld, werd na 4 dagen ziek, Nos. 85 en 83 na 5 dagen. Deze dieren werden op dezelfde wijze behandeld als de eerste. Nos. 88 en 84 als controle gebezigd werden na 5 dagen ziek. In het ziekteverloop was geen belangrijk verschil waarneembaar tusschen behandelde en niet behandelde dieren. Alle kregen mond- en klauwzeer. Na 7 a 8 dagen waren de mond-erosies bij de behandelde dieren schijnbaar iets verder op weg naar genezing dan bij de niet behandelde. Evenals bij de eerste was de eetlust bij deze na 4 dagen weer begonnen. Aan de klauwen was niet het minste verschil.

De proef aan het Instituut genomen heeft noch ten opzichte van de uitbreiding en de hevigheid der ziekelijke veranderingen in den mond, noch in het koortsverloop eenig gunstig verschil aangetoond tegenover niet behandelde dieren; ten opzichte van de genezing der wonden in den mond was een gering verschil op te merken, inzoover deze bij enkele dieren een iets sneller verloop had. Een voordeel, dat met talrijke antiseptische middelen is te bereiken.

Resumeerend blijkt èn uit buitenlandsche èn uit de in ons land verrichte onderzoekingen dat aan het middel „tryposafrol" eenge bijzondere waarde, hetzij als bestrijdingsmiddel, hetzij als voorbehoedmiddel tegen mond- en klauwzeer niet kan worden toegekend.

AU. Ten slotte is nog een derde middel door de Commissie onderzocht, niettegenstaande het als een „geheimmiddel" was aangeboden; het was in de eerste periode van het onderzoek toen nog niet de eisch van demonstreeren was gesteld. Het betrof het middel van CHR. DE BOER te Baarn.

Met dit middel zijn aan het Instituut voor Besmettelijke en Parasitaire ziekten der Veeartsenijkundige Hoogeschool twee proeven genomen op i-jarige runderen.

Daar het middel, bestaande uit een drank, volgens den eigenaar ook voor-

Sluiten