Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK I.

Het bloed van dieren, die van mond- en klauwzeer zijn genezen als voorbehoed- en geneesmiddel bij runderen, kalveren en biggen

door

Prof. Dr. L. DE BLIECK.

Inleiding.

Reeds lang is de gunstige werking ten opzichte van de smetstof van het monden klauwzeer bekend van serum van runderen, die door herhaalde infecties hooggeïmmuniseerd zijn tegen deze ziekte. Löffler en Frosch hebben hier het eerst op gewezen in 1898 en 1899 in hun rapport aan de Duitsche Regeering uitgebracht. Zij noemden „immuunbloed,, het bloed van dieren, die van mond- en klauwzeer hersteld waren; dit in tegenstelling van „hoogimmuunbloed" en „hoogimmuunserum" afkomstig van dieren, die herhaalde kunstmatige besmettingen hadden doorstaan, met het doel, de hoeveelheid beschuttende stoffen sterk te vermeerderen.

Een serie kalveren werd door hen met verschillende doses van 10—150 cc. van dergelijk immuunbloed ingespoten. Werden deze kalveren 24—72 uur later met virulente lymphe geënt, dan werden zij typisch ziek.

Zij kwamen tot de conclusie, dat een beschuttende werking aan het immuunbloed niet kon worden toegekend en hebben daarom herstelde dieren meerdere malen met lymphe ingespoten om een „hoog immuunserum" te krijgen. Nadien zijn tot 1920 geen. opgaven omtrent het onderzoek van bloed of serum van herstelde dieren in de literatuur te vinden.

Toen in het voorjaar van 1919 in Nederland groote sterfte onder runderen, maar vooral onder kalveren door mond- en klauwzeer optrad en in ons land niet voldoende immuunserum verkrijgbaar was, hetgeen zeer te betreuren was, kwam ik op het denkbeeld nogmaals het serum van herstelde dieren te probeeren, overwegende, dat al mocht dergelijk serum te weinig antistoffen bevatten om bij volwassen runderen toepassing te kunnen vinden, de doseering voor een kalf zeker niet zoo groot behoefde te zijn. Hiertoe werden aangeschaft eenige runderen, die ±

Sluiten