Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3 weken hersteld waren en in voldoend hevigen graad de ziekte hadden gehad. Ten einde echter zoo min mogelijk antistoffen te verliezen, nam ik in plaats van serum gedefibrineerd bloed en verzocht den heer H. J. M. HOOGLAND, dierenarts te Utrecht, in zijn practijk proeven er mede te nemen. Daar de heer HOOGLAND vrij gunstige resultaten verkreeg met isoleeren en opstallen der kalveren en het geven van gekookte melk of wei en gekookt drinkwater, kon hij dezen maatregel, zooals te begrijpen is, niet nalaten, zoodat het moeilijk was een juiste conclusie te trekken aangaande de werking van het bloed.

Proeven genomen in de practijk in 1919.

1. Ingespoten werden bij H. WETERING te de Bilt, 6 kalveren, ieder met ïoo cc. bloed (3 subcutaan, 3 intraveneus); ziektegevallen kwamen niet voor; op de boerderij was de ziekte onder de runderen.

2. 4 kalveren van Wed. J. Meyers te Maartensdijk werden 2 keer ingespoten n.1. op 30/6 en 15/7 subcutaan, steeds 100 cc bloed. Geen ziektegevallen zijn voorgekomen. Op de boerderij was de ziekte onder de runderen.

3. 12 kalveren van H. MEYERS Sr. te Bunnik werden op 24/7 elk 100 cc bloed subcutaan ingespoten. Deze kalveren liepen in de weide, één ervan had reeds mond- en klauwzeer, werd afgezonderd en stierf op 29/7. De overige 11 kalveren waren derhalve aan de besmetting blootgesteld geweest. Toch zijn zij verder gezond gebleven.

4. 7 kalveren van SCHOENMAKERS te Wijk bij Duurstede werden op 2/8 elk 100 c c. bloed subsutaan ingespoten. Deze dieren waren niet van besmetting verdacht dus een zuiver preventieve enting vond plaats. Na 3 weken kregen zij alle de ziekte' in zeer lichten graad, geen der dieren is gestorven. Eén kalf, dat van besmetting verdacht was, is eveneens ingespoten en gezond gebleven.

De resultaten van deze proeven gaven m.i. toch reeds aanwijzing, dat een zekere gunstige werking niet valt te ontkennen, doch een betrouwbare conclusie viel niet te trekken.

Ook de dierenarts D. M. HOOGLAND te Breukelen was aanstonds bereid de bloedinspuitingen toe te passen volgens mijne aanwijzingen. De mogelijkheid om een conclusie te trekken was hier gunstiger, daar in de streek waar de heer HOOGLAND practiseert, het voeren van gekookte wei of melk niet werd toegepast. In Juli 1919 werden op 5 stallen 26 kalveren geënt; alle dieren kregen 100 cc bloed subcutaan. Het betrof hier een preventieve enting, d.w.z. de ziekte was nog met onder de kalveren, wel op de boerderij; alle geënte dieren bleven gezond.

Op 6 stallen waar tezamen reeds 24 kalveren gestorven waren, werden i7 kalveren geënt, die voor een deel reeds de ziekte hadden, het betrof hier dus een curatieve enting bij de dieren, die reeds ziekteverschijnselen vertoonden en bij

Sluiten