Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Slechts bij 2 veehouders mislukte de enting. Vier van de acht kalveren stierven bij den eenen veehouder, en 7 van de 11 bij een ander. Hoogstwaarschijnlijk waren de laatste reeds aangetast, daar in een anderen koppel kalveren van dezen eigenaar reeds ernstig de ziekte heerschte. Bovendien waren genoemde 11 kalveren slechts met 50 cc. bloed ingespoten; de dosis was te gering. Later werd altijd 70— 100 c.c. ingespoten.

Bij J. VlEN te Vreeland werden begin Mei 12 kalveren ingespoten; deze kregen 13 Juli de ziekte, alle werden hevig ziek, doch geen enkel sneuvelde; zij zijn op 14 Juli nogmaals met 40 c.c. ingespoten.

Hoogstwaarschijnlijk zijn zij in Mei niet geïnfecteerd geworden, doch eerst m begm Juli, en was de immuniteit der eerste inspuiting grootendeels verdwenen.

Vermeld dient te worden dat indien mogelijk, melk werd gegeven van reeds genezen dieren, dat in den regel echter wei werd gevoerd en melk (meestal ongekookt) en zelfs van zieke dieren, m.a.w. dat besmetting in hevige mate bestond in de meerderheid der gevallen.

De preventieve enting betrof meerendeels kalveren van boerderijen, waar de ziekte reeds onder de runderen was, doch gewoonlijk zeer in den beginne, of wel dat het vee der aangrenzende boerderijen was aangetast.

Noodenting werd toegepast indien de ziekte onder de kalveren reeds was, zelfs wanneer reeds één of meer kalveren waren gestorven.

Dit geschiedde bij 44 veehouders, 361 kalveren werden ingespoten, waarvan er 67 stierven (niet altijd sectie verricht). Hieruit blijkt wel, dat de resultaten veel ongunstiger zijn indien de koppel reeds geïnfecteerd is.

In 1919 en 1920 tezamen bedroeg het percentage der sterfte bij de preventief geënte 2.36%, bij de noodenting 15.76%.

De sterfte betreft voornamelijk de jongste kalveren. Een zeker deel moet ook worden toegeschreven aan andere oorzaken dan het mond- en klauwzeer.

HOOGLAND merkte op, dat de kalveren die na 4 a 5 dagen nog in leven waren ook gezond bleven. Dit zijn ook onze waarnemingen en uit de secties door ons verricht kon met groote waarschijnlijkheid worden geconcludeerd, dat infectie reeds bij de inspuiting bestond; dit was gebaseerd op de pathologisch-anatomische veranderingen in het hart in vergelijking met die bij experimenteele infecties waargenomen.

Hoogland deelde mede, dat in sommige gevallen een duidelijke curatieve werking was te bespeuren, dat n.1. de algemeene toestand van het kalf verbeterde, doch dat meestal de dood toch plotseling intrad (myocarditis); meestal kregen de kalveren na de enting in het geheel geen ziekteverschijnselen of hoogstens tongblaar in lichten graad. Soms werd alleen de helft van den koppel ziek. Het spreekt vanzelf dat andere maatregelen, die de al te hevige besmetting tegengingen een gunstiger invloed hadden op de resultaten.

Sluiten