Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

muaer zijn. uit is in tegenstelling met door mij en anderen opgedane ondervinding.

Vanwege de Kliniek van Prof. Wester zijn door Bevers en rosmalen 508 kalveren en 71 biggen ingespoten. 26 kalveren en 20 biggen zijn gestorven, 5 % dus ongeveer; tegenover het algemeen sterftecijfer van 60—80 %, een zeer belangrijke teruggang.

De dieren, die binnen 3 dagen na de inspuiting stierven, konden als reeds geïnfecteerd en dus verloren worden beschouwd.

Van de 20 gestorven biggen stierven er 17 pas na 3 k 4 weken, een tijdsverloop, waarin de vatbaarheid voor de ziekte weer terugkeert.

Bij kalveren werd 40—50 c.c. bloed ingespoten, biggen 10 c.c. en runderen 100 c.c.

Bij de laatste, slechts 60 stuks ingespotenen, was geen gunstig verschil waarneembaar ten opzichte van niet behandeld vee.

J. AUKEMA schrijft in afl. 18 van het Tijdschrift voor Diergeneeskunde jaarg. 1920, zijn ervaringen met de inspuiting van serum en bloed bij kalveren en groote runderen.

Hij heeft 752 kalveren en 245 koeien behandeld; kalveren met 30—60 c.c. bloed, runderen met 150—500 a 600 c.c.

Van de eerste stierven er 12, terwijl er vele ziek geworden zijn, doch herstelden.

Deze sterfgevallen hadden echter plaats m koppels, waar de ziekte reeds was uitgebroken en men dus reeds aangetaste dieren inspoot.

Bijzondere aandacht verdient de mededeeling, dat er van de 245 ingespoten runderen 121 gezond bleven en 124 ziek geworden zijn. Deze gegevens zijn in een tabel samengevat. Daaruit blijkt, dat tot de gezond gebleven runderen ook 14 runderen behoorden, waaronder in 't geheel geen besmetting was geweest. Doch bovendien waren er vele koppels bij van een zeer klem aantal stuks vee, waarvan zeer weinig dieren ziek werden.

Bestaat de mogelijkheid niet, dat er onder dit gezond gebleven vee vele immune dieren waren, zooals dit zoo veelvuldig is geconstateerd?

Er zijn toch talrijke veebeslagen bekend, waarvan, tengevolge van de ziekte, in 1919 doorgemaakt, in de epizoötie van 1920 20—25 % immuniteit bleken te bezitten.

In hetzelfde Tijdschriftnummer deelt G. Broersma te Franeker zijn resultaten mede. Hij spoot voornamelijk met serum van herstellende jonge koeien in, bij kalveren 40—50 gram, pinken 150 gram, koeien en stieren 200 k 300 gram, varkens 25—5c gram.

Van de 714 kalveren stierven er slechts 9, van de 112 varkens één en van de 36 runderen, 11 pinken, 4 stieren en 2 geiten geen.

Ongeveer 200 stuks werden met bloed ingespoten met hetzelfde succes.

Sluiten