Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn, dat het virus plotseling sterk verzwakt was. De koortslijn bleef eveneens typisch laag. Den iiden Februari geïnfecteerd, traden den I3den de eerste verschijnselen op; den I5den zagen we echter een blaarvorming op den tandeloozen rand, de onderlip en de tong optreden, welke allen verwachtingen wederom den bodem insloeg. Dus het virus in het bloed van No. 96 was niet noemenswaard beïnvloed. Iets vertraagd werd het ziekteverloop, de koorts laag gehouden, maar van coupeeren der ziekte was geen sprake. inSfex

proef iii.

Daar in een belangrijke mitigatie van het virus door de inspuiting van Trypaflavine bij No. 96 weinig vertrouwen bestond, werd ook bij pink No. 109, 24 uur na de inspuiting van 10 c.c. gedefibrineerd bloed van No. 96, 1 gram Trypaflavine op dezelfde wijze geapphceerd. Reeds twee dagen daarna was het mondslijmvlies erg rood en warm en vertoonden zich enkele blaartjes op de onderlip. De temperatuur steeg zeer langzaam tot 41.1 en vertoonde verder het verloop gelijk dit bij elke niet behandelde zieke zich voordoet. Twee dagen daarna was het mondslijmvlies geheel bedekt met blaren of reeds defect. Hier dus een verloop, dat allerminst een gunstigen indruk van de werking gaf. We waren ons bewust, dat de dosis, welke was toegediend, reeds belangrijk hoog was; we meenden toch te moeten nagaan of een nog grootere dosis meer effect zou hebben. Hoewel bij een ernstigen vorm van mond- en klauwzeer, zooals het op onze stallen voorkwam gedurende deze proefnemingen, de dieren in voedingstoestand belangrijk achteruitgaan, maakte het bij enkele proefdieren bovendien den indruk alsof ook tengevolge der Trypaflavineinspuiting de constitutie leed. Daar het echter hoofdzaak was na te gaan of het virus gedood of minstens sterk beïnvloed werd door het preparaat, werd deze schijnbaar nadeelige werking in den koop genomen. Daarom schrikten wij er niet voor terug, de dosis nog te verhoogen.

proef rv.

Rund No. 110 werd 1/30 cc. lymphe van No 94 ingespoten en 4 uur daarna I gram Trypaflavine. Na verloop van 30 uur ontstond stijging van de temperatuur tot 40 graden. Deze temperatuur was na een uur nog 40 graden, daarna kwam plotseling daling. Na 40 uur nog een geringe verheffing tot 39.8 om dan voor goed te dalen. 24 uur na de eerste inspuiting werd nogmaals 1 gram Trypaflavine ingespoten. Voor de derde maal ontving dit rund nog één gram, eveneens na verloop van 24 uur. Het dier werd dus gedurende 3 dagen 3 gram Trypaflavine ingespoten; een dosis waarvan de toxische uitwerking niet uit bleef en welke zich voordeed in sterke vermagering, slapte en anaemie. Het cardinale symptoom, blaarvorming, deed zich echter ook nu weer voor. Reeds bij de eerste injectie lieten zich op den tandeloozen rand en het harde gehemelte gierstkorrelgroote epitheliumdefecten waarnemen.

Sluiten