Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Blaarvorming was niet voorafgegaan; de mucosa bleek zeer plaatselijk afgestorven te zijn zonder eenige aanduiding van blaren, welk verschijnsel bij behandeling van dieren met gemitigeerde smetstof herhaaldelijk voorkomt. Den volgenden dag hadden zich deze aandoeningen uitgebreid ter grootte van een halven cent, bovendien nog met enkele kleine slijmvliesdefecten vermeerderd. Het slijmvliesverlies was dus, vergeleken bij de andere proefdieren en de contróle, hier zeer gering te noemen en ongetwijfeld was hier het effect te danken aan de zeer ruime toediening van het Trypaflavine. Echter een steriliseering was ook nu met deze gefractioneerde toediening van hooge doses nog niet bereikt. Dat dit verloop wel sterk onder den invloed van het middel stond, wijst ook de temperatuurcurve aan. PROEF V.

Een slijmvhesaandoening bleek zelfs met een nog hoogere dosis dan I gram bij dieren van het gewicht van ongeveer 150 K.G. niet te coupeeren. Rund No. 95 werd 1,5 gram van het middel ingespoten en wel bij het begin der stijging, toen de temperatuur van 39.1, 39-4, 39-6 tot 40.3 was gestegen. De temperatuur kwam niet hooger, daarna nog 2 maal tot 39.9 en verder 3 dagen achter elkaar geregeld met een etmaal verschil, gedurende eenige uren schommelend om 39.4 en 39.5. Zeer opvallend werd hier dus de temperatuur wederom gedrukt. De blaren bleven echter niet uit, zoowel aan de pooten als in den mond kwamen ze geducht opzetten. Wij besloten het middel nogmaals vroegtijdig en wel in nog grootere dosis in te spuiten, overwegende, dat alsdan het virus het slijmvlies nog niet had aangetast. Het is toch niet te ontkennen, dat al breken de blaren dikwijls (lang niet altijd) later uit dan de temperatuur begint te stijgen, het virus de epitheliumlaag reeds belangrijk kan hebben aangetast, zonder dat dit macroscopisch is te constateeren. Histologisch onderzoek toch van de zeer oppervlakkige defecten waarvan hiervoor sprake was, vertoont wel een beginnende necrose van epitheliumcentra, doch van een uitgebreid verval als dit bij door exsudaat uit ellkaar gerukt epithelium het geval is, is geen sprake. Aan den anderen kant is, met het oog op de snelle uitscheiding van het preparaat, het inspuiten dagen vóór de eruptie zonder waarde. Uit onderzoekingen door NEUFELD en ScHlEMANN genomen was bekend, dat reeds zeer spoedig langs den darm en de urinewegen een groot deel van het preparaat wordt uitgescheiden. Hoewel na 5 of 6 dagen de urine nog duidelijk teekenen van de aanwezigheid van Trypaflavine vertoonde, kon men toch. met aannemen, dat na zooveel tijd van het verdunde middel, verdeeld over het geheele lichaam, nog eenig effect was te verwachten.

PROEF VL

Rund No. 93 was een geval waarvan met groote waarschijnlijkheid kon gezegd worden, dat het virus nog geen invloed op de weefsels had gehad. Het dier

Sluiten