Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zieken waren dus tevens een geschikte contróle. Daar hier door twee bedienden van het laboratorium, dag en nacht om de twee uur temperaturen werden opgenomen, konden wij het verloop der ziekte op den voet volgen en het tijdstip, waarop wij hadden besloten in te spuiten, n.1. bij de eerste stijging, met juistheid kiezen. Het bleek, dat bij de beoordeeling groote voorzichtigheid moest worden betracht. Dit vee, evenals dat van een buurman, waar eenige dagen later de proef werd voortgezet, had in den herfst van IQIQ de ziekte reeds doorgemaakt en talrijke dieren hadden blijkbaar een volkomen of zeer belangrijken graad van immuniteit overgehouden.

Hoewel door onze laboratoriumervaring niet spoedig geneigd te optimistische conclusies te trekken, diende toch hier een strenge controle een onjuist oordeel te voorkomen. Van het vee bleken eenige immuun te zijn. Twee dieren begonnen te febriciteeren. No. i ingespoten bij 39.4, No. 24 bij 40.4. Van beide dieren daalde de temperatuur op het normale, van de laatste steeg hij nog eenmaal tot 40 om daarna voorgoed normaal te blijven. Blaarontwikkeling had niet plaats. Zonder andere ervaring had dit verloop aan de inspuiting van 1 resp. 1% gram Trypaflavine toegeschreven kunnen worden. In twijfel zouden we zijn gebleven, indien er nog geen 5 dieren tusschen de zieke stonden, welke zelfs geen temperatuursverhooging, nog minder blaren kregen. Wij zijn daarom geneigd in verband met de ervaring der vorige proeven, hier veel meer aan een door gedeeltelijke immuniteit abortief verloop te denken. Deze meening vindt steun in de resultaten bij de overige dieren in denzelfden stal. Van de overige 10 behandelde dieren werden 2 dieren eenmaal 1 gram, 3 stuks tweemaal 1 gram, één dier driemaal 1 gram toegediend, terwijl één dier i# gram en 3 dieren 2^ gram werden ingespoten. Bij No. 3 eenmaal 1 gram ingespoten bij een temperatuur van 41.1, daalde de temperatuur tot het normale en bleef aldus. Het dier kreeg geen blaren, hetgeen ons bij een zoo hooge temperatuur sterk verwonderde. Na twee dagen, niettegenstaande de temperatuur niet weer steeg, kwamen de blaren echter opzetten, zoowel aan de pooten als in den mond. De ziekte had verder het gewone verloop. Het schijnbare effect werd hier dus weldra weer te niet gedaan. No. 4 werd met 1 gram Trypaflavine ingespoten, nadat de temperatuur reeds 41 graden had bereikt. Er traden nog geen blaren jp; na 2 dagen waren ze na een temperatuursverhooging aan de klauwen en in den mond aanwezig. No. 6 was reeds koortsende bij het inspuiten, 3 dagen achtereen werd 1 gram Trypaflavine ingespoten; geen gunstig effect mocht worden geconstateerd. Evenzoo No. 19 en No. 24. No. 21 tweemaal 1 gram Trypaflavine ingespoten, koortste niet hooger dan 40 graden, doch kreeg blaren. Hier dus was wederom antipyretische werking te constateeren. No. 28, evenzoo behandeld, stoorde zich ook ten opzichte van de temperatuur echter zeer weinig aan de inspuiting.

No. 27, 29 en 30 werden alle drie 2l/2 gram ingespoten. Bij deze dieren steeds weer hetzelfde verloop, snelle daling van temperatuur, bij 2 echter na 24 uur

Sluiten