Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eveneens intraveneus 0,1 gram resp. 0,2 gram Trypaflavine in 40 c.c. gedistilleerd water opgelost. Kalf 108 (0,1 gram) was in 2# dag, kalf 109 (0,2 gram) na 4 dagen dood; evenals de beide contróledieren, welke na 2^ en 3 dagen stierven, vertoonden de behandelde dieren de bekende hartaandoening, terwijl het vocht uit het pericardium volvirulent bleek te zijn voor andere proefdieren. Een andere serie van 4 nuchtere kalveren werd ingespoten resp. 0,3, 0,4, 0,5 en 0,6 gram Trypaflavine in overeenkomstige hoeveelheden vloeistof opgelost. Geïnfecteerd met 10 c.c. pericardiaal vocht van No. 119, stierven alle, na verloop van 3—4 dagen. Het bleek dus, dat zelfs 0,6 gram schijnbaar goed verdragen werd, daar de dieren goed bleven drinken tot korten tijd voor den meestal plotseling optredenden dood, welke bewees, dat het middel niet in staat was eenigen invloed op het virus uit te oefenen.

Resumeerend mogen we besluiten, dat de inspuiting van het Trypaflavine, in een dosis van 1 gram, noch bij éénmalige, noch bij herhaalde toediening tot driemaal toe, noch in een dosis van 1% gram, 2 of 2^ gram afdoende resultaten mocht hebben. Het kon evenmin in de groote dosis van 0,6 gram bij kalveren van ongeveer 30K.G., overeenstemmend met een hoeveelheid van 3 gram voor dieren welke wij in onze eerst vermelde proefnemingen gebruikten, den dood voorkomen. Het Trypaflavine mag dus blijkens dit onderzoek geen waarde worden toegekend als middel ter voorkoming, noch als middel ter genezing van mond- en klauwzeer.

In het Berliner Tierartzliche Wochenschrift van November 1920 komt PüLLmann tot de gevolgtrekking, op grond van zijn ervaring, dat Trypaflavine, hoewel geen specificum, toch een werkzaam bestrijdingsmiddel mag worden genoemd tegen het boosaardige mond- en klauwzeer en het sterftecijfer belangrijk wordt beïnvloed. Ook W. Priewe en Schtjlte-Herkendorf vermelden gunstige resultaten bij boosaardig mond- en klauwzeer door intraveneuze Trypaflavine-inspuitingen. Daarentegen schrijft Herberg in het Deutsche Tierartzliche Wochenschrift, dat het preparaat niet in staat is op het mond- en klauwzeer eenige gunstige uitwerking uit te oefenen, een conclusie waartoe ook Olt, Wiemann en borcherdt zijn gekomen. Het wil ons voorkomen, dat het middel „Trypaflavine" zooals het op het oogenblik in den handel wordt gebracht geen toepassing bij de behandeling of bestrijding van mond- en klauwzeer kan vinden. Wellicht dat door modificatie van het preparaat in de toekomst meer vam dit of andere middelen uit de acridinegroep is te verwachten.

Sluiten