Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

immuniteit en daarvan het virulentie-vraagstuk een onafscheidelijk deel uitmaakt, is door ons in de eerste plaats hieraan de aandacht gewijd.

De onderzoekingen over virulentie en de daarop gebaseerde immuniteitsproeven heeft loeffler uitsluitend verricht met blaarlymphe. Door bewaren bij o graden en hoogere temperaturen heeft hij nagegaan, welken invloed deze temperaturen hadden op het weerstandsvermogen van het virus. Tevens heeft hij immuniteitsprceven verricht met langs dezen weg gemitigeerde vira.

Zijn resultaten waren zeer uiteenloopend, zoodat hij deze methode heeft laten varen. Doch zooals zijn mededeelingen luiden, bereikte hij bij eenige runderen een immuniteit, die reeds na i y2 week zoo groot was, dat deze dieren in aanraking met zieke dieren gebracht, gezond bleven; andere aldus behandelde runderen werden echter ziek.

Hij merkte verder op, dat de dosis opgenomen virus bij natuurlijke infectie een groote rol speelt, een omstandigheid, waarop ook bij later verrichte immuniteitsproeven steeds gewezen is.

Ontegenzeggelijk zijn zijne uitkomsten met door hoog immuunserum gesensibiliseerde lymphe van grooter beteekenis geworden dan die met door verwarming verzwakte smetstof.

Toch spreekt terni (Milaan), die in 1914 een immuniteits-studie van staatswege is begonnen, er van, dat virus zóólang in ijs bewaard, tot het zijn activiteit had verloren, een immuniteit opleverde, welke gelijk stond met die eener natuurlijke immuniteit. In hoeverre deze proeven pracu'sche waarde bezaten, wordt niet nader vermeld.

Toen loeffler met zijn onderzoekingen begon, was het nog een open vraagstuk of er na doorzieken immuniteit achterbleef en hoelang deze bleef bestaan.

loeffler heeft door proefneming aangetoond, dat een absolute immuniteit kan verkregen worden tegenover een bepaald virus, een feit waaromtrent thans geen twijfel meer bestaat.

Dat de duur soms zeer kort was, dat na eenige maanden de ziekte zich kan herhalen, was ook reeds aan dezen onderzoeker bekend. Tn zijn monographie over mond- en klauwzeer in het handboek van Friedderger en pfeiffer (1920) maakt hij hiervan ook gewag, doch schrijft tevens, dat bij het meerendeel der dieren de immuniteit meerdere jaren duurt, bij velen slechts 1—2 jaar.

Deze meening is door de epizoötiën, welke in 1919 en 1920 Europa hebben bezocht, niet meer houdbaar gebleken.

In alle landen is dezelfde ervaring opgedaan, dat het mond- en klauwzeer in het algemeen een immuniteit kan achterlaten, welke zeer dikwijls met 3 tot 4 maanden, binnen 8—12 maanden bij bijna alle vee kan zijn verloren gegaan. Welke invloeden hier een rol hebben gespeeld, is slechts te vermoeden.

Sluiten