Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het boosaardig karakter, waardoor de ziekte zich m 1920 heelt doen kennen, is een aanwijzing, dat de smetstof van een bijzondere virulentie is geweest.

Aangenomen moet worden, dat de immuniteit, tengevolge van het doormaken der ziekte in 1919, opgeheven was en het virus dus een zoo goed als volkomen vatbaren veestapel vond. Slechts een klein.deel had zijn immuniteit bewaard.

Uit eigen waarnemingen is gebleken, dat om Utrecht van vele veebeslagen 5—10, van sommige nog 25 % immuun was gebleven na het eerste doorzieken. Reeds LOEFFLER had opgemerkt, dat zelfs een krachtige immuniteit door een virulentere smetstof kon worden overwonnen, eveneens door een grootere dosis virus.

Uit deze ervaringen mag dan ook de conclusie worden getrokken, dat wanneer een actieve immunisatiemethode zal worden gevonden, de gevaren blijven bestaan, dat deze immuniteit niet absoluut kan zijn, noch van langen duur, wanneer het dier bedreigd wordt door een smetstof van zeer groote virulentie.

Dat daarom een methode, welke een gedeeltelijke immuniteit opwekt en waarop, zooals door verschillende onderzoekers is getracht, een hoogere immuniteitsgraad is te bouwen, geen practische waarde zou hebben, mag nog niet worden toegegeven.

De aandacht van hen, die zich na LOEFFLER met de mond- en klauwzeerstudiën hebben bezig gehouden, bleef algemeen gericht op het vinden van een practische immunisatiemethode. De Italiaansche commissie in 1914 onder leiding van TERNI heeft zich dan ook in de eerste plaats met dit onderdeel bezig gehouden.

Ondanks de niet volledig geslaagde immuniteitsproeven van LOEFFLER, die tenslotte van zijn eigen methode zegt, dat ze voor de praktijk minder bruikbaar is wegens het noodzakelijk gebruik van virulente lymphe, is de opzet toch van dien aard, dat men deze geheel als juist moet erkennen.

Langs welken weg men zijn z.g. grondimmuniteit opwekt is nevenzaak. Als men in staat is een dergelijke grondimmuniteit tot stand te brengen, welke door verschillende versterkingen, hetzij door natuurlijke of kunstmatige besmetting tot een hoogen graad van immuniteit kan worden opgevoerd, ligt het voor de hand, dat hierin een onder bepaalde omstandigheden ook voor de praktijk zeer waardevolle methode moet zijn gelegen.

Verschillende en ook eigen studiën hebben bewezen, dat een practisch voldoende immuniteit door één enkele behandeling met gemitigeerd virus niet is te verkrijgen.

Mag het gelukken, zooals ook LOEFFLER dit heeft bewezen, dat door verhitte of in ijs bewaarde of door immuunserum gemitigeerde lymphe bij een zeker percentage proefdieren reeds bij de eerste behandeling voldoende immuniteit is op te wekken, de ervaring geeft geen steun aan de meening, dat in het algemeen één enkele dergelijke behandeling voor de practijk voldoende zou zijn.

De immuniseeringsmethode van COSCO en AGUZZI, bestaande in inspuiting

Sluiten