Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van roode bloedcellen, afkomstig van aan de ziekte lijdende dieren, volgt een andere gedachtengang. C. en A. nemen aan, dat het virus in een bepaalden vorm in de roode bloedcellen aanwezig is en in bepaalde dosis intraveneus toegediend, in staat is een zekeren immuniteitsgraad op te wekken, zonder dat de bekende uiterlijke ziekteverschijnselen optreden.

Daargelaten of de vorm, de virulentiegraad van de smetstof of de doseering deze resultaten opleverde, deze methode draagt een bijzonder karakter, daar van mitigatie hierbij geen sprake is en ze zou dan ook, wanneer ze slechts in staat was een zekere immuniteit op te wekken van veel beteekenis mogen worden genoemd.

Onze contróle van deze proeven heeft echter hare resultaten niet kunnen bevestigen. Ook zijn sinds 1917 geen nadere mededeelingen van deze onderzoekers bekend geworden.

Eigen onderzoekingen.

Door ons is hoofdzakelijk aandacht geschonken aan het vraagstuk der immuniteit, waaraan diende vooraf te gaan een inzicht in de wisselende graden van virulentie van de smetstof, waarmede gewerkt moest worden.

Hoewel van deze sterk uiteenloopende virulentie uit de verschillende onderzoekingen reeds veel bekend is, leek het gewenscht hieromtrent een eigen meening, gesteund op eenige experimenten, te verkrijgen.

Er werden onderzoekingen ingesteld naar de werkzaamheid a. van lymphe in verschillende doses, b. naar die van het bloed, zoowel van het gedefibrineerde bloed in zijn geheel als van de hoofdbestanddelen, het serum en de roode bloedcellen.

Dat de virulentie van lymphe sterk uiteen loopt, bewezen de genomen experimenten.

Reeds loeffler en Frosch hebben met een lymphestam gewerkt waarvan 0.0001 c.c. nog in staat was de ziekte op te wekken.

Kalveren van ongeveer 1 jaar oud, door ons intraveneus ingespoten met ^So, 1/150 en 1/350 c.c. lymphe, reageerden alle met hooge temperaturen en blaren na verloop van 1—3 dagen.

Hoe de werkzaamheid van het virus zich aan den anderen kant in de natuur wijzigt, zoodat zelfs met groote hoeveelheden lymphe geen ziekte meer is op te wekken, is meermalen gebleken. Zoo bleef reactie uit bij een big na inspuiting van 0.25 c.c. versche lymphe, terwijl talrijke malen kalveren met 0.2 en 0.3 c.c. tevergeefs werden ingespoten.

Uit deze door ons nog eens bevestigde waarnemingen blijkt voldoende, dat de virulentie der smetstof van het mond- en klauwzeer zeer wisselend is en dat de immuniteitsverhoudingen daarom a priori niet gemakkelijk zullen zijn vast te stellen.

Orienteerend onderzoek naar de virulentie van lymphe, bloed, serum, roode bloedcellen, pericardiaalvocht.

Sluiten