Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Beteekenis van het aantal wasschingen der rblc. op de virulentie.

Proeven met gewasschen rblc. in verschillende doseering.

nomen. Met de rblc, drie keer gewasschen in een dosis van 10 c.c. en intraveneus toegediend, trad de ziekte nog op, gelijk hiervoor vermeld.

Waar volgens COSCO en AGUZZI met deze wijze van applicatie zelfs in doses van 35 cc rblc, ontnomen op het oogenblik, dat het bloed het meest virulent zou zijn, geen ziekte zou zijn op te wekken en het ons reeds met 10 c.c. gelukte, op de hoogste temperatuur ontnomen, hebben we bij onze volgende proeven steeds bloed op dit moment van de curve gebruikt.

De reactie welke bij de dieren, intraveneus met 35 cc ingespoten, optrad, bestond volgens C. en A. in temperatuurstijging na 24 uur van 2—2^ graad, versnelde ademhaling, terwijl de eetlust en het herkauwen waren gestoord, blaren traden niet op. De proefdieren werden blootgesteld aan infectie en na 2 maanden bleken ze nog onvatbaar te zijn.

Terwijl het juiste moment, door C. en A. aangegeven, waarop het bloed getapt moet worden alzoo volgens ons minder van beteekenis was, heeft bij ons onderzoek de invloed van het aantal wasschingen op den graad der virulentie als een belangrijke factor gegolden, al wijzen zij er op, dat na het eenige malen wasschen de hoeveelheid aanklevend serum tot beneden de minimale nog virulente dosis daalt, .zoodat het aantal wasschingen bij hen schijnbaar van minder beteekenis is. Dat het aantal wasschingen echter van grooten invloed is, blijkt uit de volgende proef.

Wij spoten een pink intraveneus met 10 c.c. rblc. in, tweemaal gewasschen. Het dier werd ziek na 4% dag met alle verschijnselen van mond- en klauwzeer.

Een pink ingespoten met 10 c.c. rblc. viermaal gewasschen reageerde na 9 dagen alleen thermisch, terwijl een even oud dier met 15 cc. zesmaal gewasschen rblc. ingespoten, in 't geheel niet reageerde.

In deze serie is een zekere regelmaat, welke wij aan het aantal wasschingen toeschrijven. Hoe overigens de uitkomsten onzer proeven in dezen in geenen deele overeenstemden met de resultaten van COSCO en AGUZZI, bewijzen, de volgende waarnemingen.

Vier pinken met 10 c.c. driemaal gewasschen, roode bloedcellen ingespoten, waarvan drie intraveneus en één subcutaan, reageerden op geen enkele wijze.

Een pink met 10 c.c. rblc. driekeer gewasschen ingespoten, reageerde thermisch en met blaren na een incubatietijd van 6 dagen. Een andere pink met 20 cc. rblc. van hetzelfde pink afkomstig, ingespoten, reageerde niet; een pink dat 20 cc. serum van dezelfde herkomst werd geinjiceerd, alleen thermisch. Wij moeten aannemen, dat hier natuurlijke immuniteit een rol speelde.

De volgende proef betreft een serie van 9 pinken van ongeveer gelijk gewicht.

No. 00, 93, 95 en 96 werden intraveneus ingespoten met een dosis van 30 c.c 3 maal gewasschen rblc Nos. 77, »9. 9» met 40 c.c. terwijl nos. 92 en 94 beide met 40 c.c. subcutaan werden behandeld.

Sluiten