Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Resistentie van het virus onder de hoornzooi.

nagaan. Daarom kan van het laatste met dit virus geënte pink No. 105 weinig worden gezegd.

De voornaamste gevolgtrekking is wel deze, dat de virulentie van een serum als hier gebruikt, gedurende een maand constant blijft, ook al passeert het virus talrijke dieren over een betrekkelijk langen tijd. Het ziektebeeld der geënte dieren bleef toch vrijwel hetzelfde aspect vertoonen. Waar het mogelijk is serum in groote hoeveelheid steriel te bewaren, mag deze constantheid der virulentie van beteekenis worden geacht.

Het kwam ons nuttig voor ook na te gaan hoe de virulentie was der smetstof in de blaren in de zool, welke van de lucht afgesloten waren, eenigen tijd na de eruptie.

Een tweetal proeven werd genomen met het afschraapsel van de verbinding tusschen de hoornige zool en de vleeschzool, d. w. z. het weefsel van waaruit de hoorn af groeit en op welke plaats reeds in 1914 door ZCHOKKE in Zwitserland typische aandoeningen in den vorm van bloedingen en substantieverlies van het weefsel waren aangetoond. Deze defecten dragen een bijzonder karakter; hoewel in dit vastgesloten weefsel geen typische blaren kunnen ontstaan, heeft toch een zeer uitgebreid verlies van de cellen van de vleeschzool, meermalen van de punt van den klauw tot aan den balrand, plaats.

Met het zieke weefsel, afkomstig van een gestorven rund, dat 3 weken tevoren ziek was geworden, werd na verdunning in physiologische keukenzoutsolutie en filtratie een rund ingespoten. Dit dier reageerde na 2 dagen met alle verschijnselen van mond- en klauwzeer. Hoewel uit de praktijk het feit bekend was, dat na besnijding van de zolen van runderen, die eenige maanden tevoren aan de ziekte hadden geleden, korten tijd na deze behandeling de ziekte wederom in een dergelijken veestapel was uitgebroken en wel bij vee, dat den eersten keer om eenige reden de ziekte niet had doorgemaakt of dat was aangekocht, had men omtrent het juiste verband geen zekere gegevens.

Deze proef bevestigt het vermoeden, dat runderen langen tijd virusdragers kunnen blijven en dat een grondige besnijding eenige maanden na het doorzieken een rationeele maatregel van bestrijding is.

Een 2de proef betrof een rund, dat ingespoten werd met virus uit een klauwzool van een gestorven rund, welke 2 maanden in het laboratorium was bewaard. Alhoewel er nog duidelijke veranderingen in de vleeschzool aanwezig waren, was er toch geen ontstekingsvocht meer waar te nemen; de klauw zelf was geheel uitgedroogd. Het rund reageerde niet, zoodat kan worden aangenomen, dat de smetstof in een dergelijken klauw na 2 maanden geen infectie meer kan bewerkstelligen.

Hetgeen uit de voorgaande proefnemingen blijkt, is het volgende:

1. Het bloed van zieke dieren bevat in zijn verschillende bestanddeelen in

Sluiten