Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ook door konijnenpassage is getracht het virus te behouden, zoo mogelijk voort te kweeken.

Het zij opgemerkt, dat reeds LOEFFLER proeven in deze richting heeft verricht; bij geen der kleine proefdieren heeft hij echter eenig symptoom der ziekte kunnen te voorschijn roepen.

Ook onze proeven zijn met geen beteren uitslag bekroond geworden. Twee konijnen, waarbij op eenige plaatsen van het tandvleesch en de binnenvlakte van de lippen een weinig lymphe was ingespoten, hebben geen enkel verschijnsel der ziekte vertoond. Overigens was de opzet van dit onderzoek er niet op gericht om de ziekte als zoodanig bij het konijn op te wekken, als wel te trachten het virus in het bloed van het konijn levend te houden en zoo mogelijk tot vermeerdering te brengen.

De resultaten van deze proeven kunnen hierin worden samengevat, dat het bloed van een konijn, ingespoten met lymphe, na 5 dagen het virus nog bleek te bevatten, dat dit bloed echter, gepasseerd door een nieuw konijn, zijn virulentie had verloren. Evenmin was in extract van de verschillende organen van dit laatste werkzaam virus voor het rund aan te toonen.

Het dient echter opgemerkt, dat deze proeven geschiedden in een tijd, dat de smetstof een zeer goedaardig karakter had.

In den laatsten tijd is men gelukkiger geweest met het overbrengen der ziekte op kleine dieren.

WALDMANN en PAPE van het Mond- en Klauwzeerinstituut te Riems en HOBMAIER aan het Robert Kochinstituut te Berlijn mocht het gelukken bij kleine proefdieren verschijnselen van mond- en klauwzeer op te wekken.

De eersten zagen bij caviae subcutaan en intraveneus met virus ingespoten, aan de teenen blaartjes ontstaan, met welker inhoud zij opnieuw dieren infecteerden, hetgeen hun bij overenting tot vijfmaal gelukte; in den mondhoek zagen zij geen veranderingen, ook niet aan de lippen.

Zij spreken er hun verwondering over uit, dat het LOEFFLER en zijn medewerkers, ondanks talrijke proeven in deze richting niet is mogen gelukken reactie op te wekken en wijten dit aan de grootere virulentie van het door hen gebruikte materiaal, wellicht ook aan het feit, dat het virus, waarmede zij hun proeven deden, afkomstig was van door 30 passages verkregen varkensvirus.

Een bevestiging van het feit, dat het verschil in succes bij deze proeven moest worden gezocht in den aard van het virus, vinden we in het onderzoek van HOBMAIER.

Deze heeft bij caviae, konijnen en ratten steeds positieve uitkomsten gehad, doch van de stammen door hem gebruikt waren er 4 bij, welke slechts temperatuursverhooging opwekten.

HOBMAIER deelt mede, dat bij intracutane enting van caviae zich een knob-

Sluiten