Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beitje ontwikkelde, waarvan de inhoud zich liet overenten, telkens aanleiding geven tot de ontwikkeling van nieuwe knobbeltjes, welke tot de derde passage het vin bleken te bevatten.

Met 2 c.c bloed werden de dieren ook ziek, doch na de derde passage blee het bloed reeds avirulent te zijn.

Bij het konijn werden geen blaren zichtbaar. Intracutaan ontstonden hard knobbeltjes. Met dit materiaal was bij caviae wederom klauwzeer op te wekker Ook met het bloed van konijnen was bij caviae weer de ziekte op te wekken. N S passages was de ziekte wedèrkeerig nog van cavia op konijn en rat over t brengen.

Bij witte ratten werden aan de pooten geen blaren, doch aan den mond w< blaartjes waargenomen. Evenzoo ontstonden bij intracutane enting knobbeltjes De schrijver maakt de opmerking, dat uit epidemiologisch oogpunt het van groot beteekenis is, dat ratten aan de ziekte kunnen gaan lijden.

Latere mededeelingen door WALDMANN en PAPE wijzen vooral op de be langrijkheid der modus infectionis bij cavia. Bij cutane infectie zagen zij zonde onderbreking reactie optreden. Binnen 12—16 uur plaatselijk, den derden tot dei zevenden dag gegeneraliseerd. Zij spreken van een dubbele phase, waarin de ziekt verloopt.

De cavia kreeg zoowel aan de pooten als in den mond blaarverschijnselen welke in hun wezen geheel met die bij de huisdieren overeenstemden.

Het is hun gelukt het virus in meer dan 90 passages werkzaam te bewaren in die mate zelfs, dat na 30 cavia-passages biggen met hoeveelheden tot 0.003 c.c ingespoten, stierven.

Deze vatbaarheid voor het virus heeft deze onderzoekers er reeds toe ge bracht de cavia te gebruiken tot de waardebepaling der mond- en klauwzeer sera

Zij constateerden, dat het hoogimmuunserum van LOEFFLER een werkzaamheid bezat 20 maal grooter dan het serum van herstelde dieren.

Dat een virulente smetstof noodig is om verder te kunnen experimenteeren, bleek ook hier. Wij hebben caviae geënt met bloed van een rund, dat 18 dagen na de enting met virulent bloed temperatuursverhooging en eenige blaren had vertoond; als applicatiemethode gebruikten wij de buikhuid en de plantairvlakte var de pooten, verder ook de mucosa van den mond. Echter geen reactie volgde; ooi bij konijnen niet. Deze negatieve resultaten zijn ongetwijfeld aan de geringe virulentie der smetstof te wijten.

Ook UHLENHUTH doet eenige mededeelingen, waarin hij zegt, dat de graad der virulentie voor het aanslaan der infectie bij caviae van veel beteekenis is.

Konijnen kon hij met een bepaalde lymphe niet ziek maken, terwijl van drie caviae er één gezond bleef. 5 c.c. oloed der zieke caviae op gezonde overgebracht, wekte de ziekte niet op.

Sluiten