Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

No. 3. Het onafgebroken appèl.

(Met een piketspel.)

Men telt in gedachten of overluid de van het spel afgenomen kaarten naar volgorde met zeven, acht, negen, tien, boer, vrouw, heer, aas en keert telkens, wanneer men telt, een kaart. Komt de gekeerde kaart in waarde overeen met die, welke juist wordt afgeteld, dan wordt zij terzijde gelegd.

De overige kaarten worden op een hoopje vereenigd. Is het geheele spel doorloopen, dan wordt dit hoopje opgenomen en het tellen voortgezet, terwijl opnieuw de kaarten, die daarvoor in aanmerking komen, verwijderd worden.

Aldus wordt voortgegaan, totdat alle kaarten weggelegd zijn, óf totdat er nog overblijven, die niet meer aan het opnoemen beantwoorden, ook al wordt het hoopje eenige malen doorgenomen.

In het eerste geval is de patience gewonnen, in het laatste verloren.

Het is een bepaald vereischte dezer patience, dat men iederen keer, dat men den talon opneemt, moet voorttellen bij het nummer, waar men gebleven was.

No. 4. De paren in schuinsche richting.

(Met een piketspel.)

Alle kaarten van het spel worden in vier rijen, elk van acht kaarten, open op tafel gelegd.

De kaarten van dezelfde waarde, zonder op de kleur te letten, die in schuinsche richting ten opzichte van elkaar liggen in twee opvolgende rijen en elkaar dus met de hoeken raken, worden weggelegd.

Sluiten