Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kleuren. Is de talon voor de tweede maal doorloopen, dan neemt men voor de derde en laatste maal eveneens op zonder te méleeren en handelt op gelijke wijze als de beide vorige keeren. Daar echter deze patience op zulk eene wijze slechts zeer zelden zou slagen, heeft men nog een hulpmiddel verzonnen, dat het spel gemakkelijker maakt. Men legt namelijk in de vier hoeken tusschen de kleurenhoopjes nog zoogenaamde hulpkaarten. Daartoe kiest men de kaarten, die in de natuurlijke volgorde zeer spoedig gelegd kunnen worden; is b.v. schoppentwee er nog niet uit en krijgt men schoppendrie, dan legt men deze als reserve in een hoek, daar men ze kan gebruiken zoodra de twee verschijnt. Is van klaveren de vier gelegd, dan legt men de zes als hulpkaart op een hoek om haar mede te gebruiken, zoodra de vijf uitkomt.

Het is niet geoorloofd meer dan ééne kaart op eene hoekplaats te leggen, terwijl men in den regel niet meerdere kaarten van gelijke kleur tegelijk moet leggen, zooals b.v. een hartenzeven op een hoek, hartenacht op een tweeden en hartennegen op den derden hoek; intusschen kunnen er! ook uitzonderingen op dezen regel zijn en dat geval doet zich o. a. voor, wanneer eene kleur bij de andere nog aanmerkelijk achter is en de hulpkaarten zoo op elkaar volgen, dat men ze gemakkelijk leggen kan, zoodra eene nog daartusschen ontbrekende lagere kaart komt.

Het is niet noodig om de hoeken aan te vullen. Men doet dit slechts als men in de hoeken kaarten kan leggen, die in ieder geval zeer spoedig aan de beurt komen, dat is, die twee of hoogstens drie punten meer hebben, dan de open liggende kaart van de eene of andere kleur.

Is de talon geheel opgebruikt benevens de op de hoeken liggende hulpkaarten en zijn de vier hoopjes der oorspronkelijke tweeën ieder met het aas harer kleur bedekt, dan is het spel gewonnen.

Sluiten