Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De reserve-patience. No. 26.

(Met twee whistspellen.)

Men neemt vier heeren en vier azen der vier kleuren uit het spel en legt ze voor zich op de tafel, de heeren boven en de azen van gelijke kleur daaronder in twee rijen. Daarna telt men vier hoopjes, ieder van twaalf kaarten, af, die als reserve open en links van de andere gelegd worden. Nu neemt men van het overige spel in de hand de kaarten een voor een af, en legt ze voor zich op één talon. Komt er eene kaart, die op een der vier heeren in dalende, of op een der azen in klimmende reeks past, van gelijke kleur, dan wordt zij er dadelijk op gelegd. Tegelijk ziet men na, of er kaarten op de reservepakjes liggen, die er insgelijks op passen; men neemt deze bij voorkeur, om de reserve-hoopjes zoo mogelijk op te ruimen. Om hiertoe gemakkelijker te geraken, gaat men tot de mariages over; b.v.: bevindt zich op de reserve-pakjes eene op den talon passende kaart van gelijke kleur in klimmende of dalende reeks, dan wordt deze op den talon gelegd. Ligt er b.v. op de reserve-hoopjes eene hartennegen of hartenboer, en heeft men op den talon een hartentien, dan wordt zij op de laatste gelegd en zoo altijd voort, totdat alle kaarten gelegd zijn. Ook mag men kaarten van een azenhoopje in omgekeerde volgorde overbrengen op een heerenhoopje of kaarten van een heerenhoopje op een azenhoopje, indien men daardoor bovenliggende kaarten van de reservehoopjes af kan nemen. Daarna neemt men den talon weder op, legt de kaarten opnieuw en handelt als boven, en zulks zoo lang, totdat niets meer gaat. Zijn dan de azen- en heerenpakjes nog niet geheel belegden blijven er in de reserve-pakjes nog kaarten over, dan is het den speler geoorloofd van ieder der reserve-pakjes een kaart op den talon te leggen en vervolgens het spel

Sluiten