Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

No. 33. De kleine patience.

(Met twee whistspellen.)

Men legt twee rijen, ieder van tien kaarten, voor zich op tafel. Is daaronder een heer of een aas of beide tegelijk van de vier verschillende kleuren, dan worden de eerste rechts, de laatste links boven de twee rijen gelegd.

De daardoor open gekomen plaatsen worden dadelijk uit het spel aangevuld. De ter voltalligmaking der vier familiën nog ontbrekende azen en heeren worden opgelegd, zooals zij bij het afnemen der kaarten te voorschijn komen. De eene kaart na de andere wordt van het spel afgenomen ; past eene dezer op de azen- of heerenpakjes, dan wordt zij opgelegd; de niet passende moeten zoo mogelijk in klimmende of dalende reeks op de kaarten van gelijke kleur der twintig kaarten gelegd worden, doch op ieder slechts eene kaart. Men moet hierbij rekening houden met de ligging der kaarten, dus b.v. nooit twee maal schoppen vier op schoppen vijf leggen, daar dan bij het beleggen der azenpakjes de vijfden weg zou versperren voor de vier. De kaarten, die, voortdurend van het spel af genomen wordende, niet passen, of niet gebruikt kunnen worden tot het aanvullen der twintig kaarten, of van de 8 kleurenpakjes, worden op een talon open op tafel gelegd en daaruit eerst de van de twintig dubbelkaarten weggenomene vervangen, alsook de passende op de kleurenpakjes gelegd. Afgenomen kaarten, die toevallig zoowel op een heerenals op een azenpakje passen, worden geplaatst, zooals dat voor den loop van het spel het meest voordeelig is.

Het spel is gewonnen, als alle kaarten van den talon en der twintig dubbelhoopjes opgebruikt en de azenpakjes met de heeren en de heerenpakjes met de azen bedekt zijn, dat is, wanneer ieder dezer pakjes eene voltallige reeks der dertien kaarten eener kleur bevat.

Sluiten