Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De veertiende kaart legt men als grondkaart links van het genadehoopje neer. De overige 7 kaarten van dezelfde waarde worden met deze kaart de grondkaarten voor acht pakjes kaarten, die gevormd worden door op de grondkaarten de passende kaarten in klimmende volgorde, zonder op de kleur te letten,

te plaatsen, zoodra dit i—i ■—, ,—.

Men legt nu open (Tl f] f] fl JTl m voor zich drie rijen van I—I LJ U U U L_J

vier kaarten elk.

Deze kaarten gebruikt men, wanneer ze op de uitgelegde grondkaart passen. Is er geen kaart meer te plaatsen, dan worden de overige kaarten van het spel op de 12 hulpkaarten of op de ontstane gapingen gelegd. De verdeeling dezer kaarten wordt geregeld door den speler. Het is. hierbij voordeelig, gelijkwaardige bladen op elkaar te leggen of wel kaarten, die in dalende orde op elkaar passen.

De volgende regels moeten hierbij in acht genomen worden:

1°. Er mag geen nieuwe grondkaart uitgelegd worden, voordat het pakje op de vorige grondkaart geheel gereed is. De grondkaarten blijven dus in de hulppakjes liggen en mogen slechts met eikaars gelijken belegd worden. Is onder de eerst uitgelegde 12 hulpkaarten geen grondkaart, dan moet men een ledige plaats voor de komende grondkaarten open houden. Is er geen ledige plaats, dan moet men de eerst verschijnende grondkaart leggen op een kaart, die men eerst het laatst noodig heeft.

De kunst bestaat hier juist in het handig verdeelen van

iv piaaioi.11, iUUUlH Uil

mogelijk blijkt. Deze kaarten zijn in de figuur aangeduid met de cij¬

fers 1 tot en met 8, het genadepakje met G.

Sluiten