Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van van Spreeuwenberg in het Tijdschrift van Nederlandsch-Indië (7e jaargang, 4e deel), van Padtbrugge in de Bijdr. T. L. Vk. 3e volgr. I en die van Riedel over de Minahassa in 1825 (Tijdschr. Bat. Genootschap, deel XVIII). Voor lateren tijd zijn vooral de publicatie van Meyer en Richter over Celebes en het werk van Graafland over de Minahassa van belang, terwijl ook de Sarasin's en dr. Kaudern dit gedeelte van Celebes bezochten en beschreven.

Behalve van de Minahassa, bezit het Museum ook vele voorwerpen uit Gorontalo, zooals men uit den Catalogus kan zien. Van de voorwerpen, in groep I en II beschreven, valt niet veel te zeggen. Alleen kan hier gewezen worden op de antieke kain bentbian (pag. 75), omdat dergelijke kain's zeer de aandacht getrokken hebben van de schrijvers over Indonesische weefkunst, b.v. Jasper en Loebèr.

Onder het huisraad valt vooral het groote aantal matten op. Een gordijn met voorstellingen uit het Ramctyana (p. 82) is wel zoo goed als zeker uit Voor-Indië ingevoerd, daar overigens in de Minahassa alle sporen van Voor-Indischen invloed ontbreken, ook in de talen.

Uit het geringe aantal voorwerpen, die voor de jacht en de vischvangst gebruikt worden, blijkt wel, dat men zich hiermede weinig bezighoudt. De groepen

IV VIII zijn wel in het Museum vertegenwoordigd, doch niet door een bijzonder

groot aantal voorwerpen. Onder de wapens zijn vooral de koperen helmen uit de i7e eeuw te vermelden, daar deze herhaaldelijk door reizigers en ethnographen beschreven zijn.

Groep X is in dezen Catalogus niet zeer belangrijk, doch de muziekinstrumenten en dansattributen, in groep XI beschreven, zijn hier goed vertegenwoordigd.

In groep XII worden vrij veel voorwerpen uit den heidentijd beschreven, b.v. zielenhuisjes, doodkisten en priesterkleeding. Dergelijke voorwerpen zijn een kostbaar bezit, daar zij uit den aard der zaak thans niet meer te verkrijgen zijn.

Als aanhangsel volgt nog de beschrijving der voorwerpen, die 's Rijks Ethn. Museum van de Sangir- en Talaut-eilanden bezit. Deze eilanden vormen den overgang tot de Philippijnen, die in het volgende deel van dezen Catalogus zullen beschreven worden.

Groep I is niet belangrijk, doch in groep II vindt men vele voorbeelden van &^-weefsels, die de karakteristieke kleeding dezer eilanden vormen en waarover Mej. M. Tonnet eene monographie geschreven heeft (Elsevier's Maandschrift, 1906). In groep III is geen huismodel, doch het huisraad is vrij goed vertegenwoordigd door matten, manden en doozen. Van groep IV (jacht en vischvangst) bezit het Museum niet veel, van groep V (landbouw) zelfs niets, evenals van groep VII, terwijl ook van groep VI slechts twee stuks aanwezig zijn. Daarentegen is groep VIII (nijverheid), vooral wat de weefkunst aangaat, vrij belangrijk. Van de wapens (groep IX) vindt men hier klewangs en schilden uit Talaut en een antiek borstharnas uit Siauw. Groep X ontbreekt, doch in groep XI worden nog eenige voorwerpen, bij muziek en dans gebruikt, en ook een antieke stoel beschreven. Geheel onbeduidend is groep XII, omdat op deze eilanden het Heidendom reeds lang door het Christendom verdrongen is. Vandaar dat men in deze groep slechts enkele fragmenten van de Maleische bijbelvertaling vindt.

Alvorens deze korte inleiding te eindigen wil ik niet nalaten, mijn dank te betuigen aan Dr. W. H. Rassers, Mejuffrouw C. J. Hozee en den heer A. B. Hozee voor de zorg, door hen besteed aan het nazien der drukproeven en Mejuffrouw Hozee speciaal voor het vervaardigen der Registers.

Leiden, Januari 1927. Dr. H. H. JUYNBOLL.

Sluiten