Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

diagonalen in vier tweekleurige driehoeken verdeelde vierkanten (ma/a mpoene*) btntase), rijen schuine, afwisselend gekleurde zigzaglijnen (siri tanda sioe) of rijen schuine, ongekleurde kruisjes op gekleurden grond (siri mata-mpoene*). Aan elk der korte einden is een driehoekig stuk oranje katoen opgenaaid, waarop borduurwerk van zilverdraad en plaatjes als voren. Posso.

Bovenste mat 1. 141, br. 36, onderste mat 1. 192, br. 58 cM.

804/253s). Haken, voor bedgordijnen (klamboe), ruw bewerkt, van een platten reep ijzer, welks eene einde tot een oog is samengebogen. Twee stuks. M. L. 16,5, br. 0,6 cM.

c. Gereedschap om vuur en licht aan te steken4).

1613/3S) Lamp, van geelkoper, ronde bak met lange, effen en uitgeholde tuit. Opengewerkt deksel met een vierpuntige ster in het midden, omgeven door driehoeken. In twee krullen uitloopende knop. Het deksel draait met een scharnier om het handvat, dat opengewerkt is in den vorm van een gestileerden vogel en met twee staafjes aan den bak is bevestigd. Om den bak een uitstekende, in twee aan twee van elkander afgebogen punten uitloopende rand. Loewoe.

L. 19, br. 8 cM.

1232/26. Fakkelstandaard (potoenda ntjilo% van hout, op rechthoekig voetstuk, dat met een convexen boog naar boven oploopt en in het midden vlak is, de korte zijden met vooruitstekenden rand. In dit voetstuk steekt een stok in den vorm van twee op elkaar staande ovalen, waaraan een liggend dwarsstuk van wit, opengewerkt hout bevestigd is, met twee ronde en twee ruitvormige openingen, om de fakkels ut te steken. Toradja's.

H. 33, 1. voetstuk 34, br. 13,5 cM.

1300/207) Harsfakkel (silo»), kegelvormig stuk hars, besloten in een stuk van eene bladscheede, met een stevige omwinding van een rotanreep. — Wordt in de huizen als lamp gebrand. Toradja's.

L. 33,5, dm. 1,5—3 cM.

M56/38. Vuurzaag»), bestaande uit drie stukjes bamboe, aan de einden puntig bijgesneden; een ervan vertoont een scherpen zijkant, de beidere andere een gedeeltelijk verkoolde, nog niet doorloopende dwarsgleuf; tusschen deze beide een stukie tondel. Koelawt. '

L. 30—36,5, br. 2,5—3 cM.

1926/71510). Tondeldoos, van lichtbruin hout, ellipsvormig. Rechthoekig, insluitend deksel met twee afgeronde hoeken. Van boven en van onderen convex. In eene der zijden steekt een vuurslag, bestaande uit een convex stuk ijzer. Toradja's.

L. 6,1, br. 4,1, dm. 3,4 cM.

1) O. c. 235: duivenoog.

2) Adriani en Kruyt, II, 187.

3) Serie 804 don. prof. M. Wkber, Nov. 1896.

4) Adriani en Kruyt, II, 186—187. — Kruyt, T. I. T. L. Vk. LXIU 278.

5) Serie 1613 don. J. Wolterbeek Muller, Juli 1907.

6) M. N. Z. G. XL, 135. — Kruyt, Woordenlijst, 78, s. v. tunda en 63, s. v. silo

7) Serie 1300 don. A. C. Kruyt, Maart 1901.

Igft ^3 Tf' G' XL' '3S' I44' ~~ ADRIANI en Krüyt, Ui 293, ii, 190. — kruyt, Woorden9) Sarasin, Petsen in Celebes, II, 54, 280. 10) Not. Bat. Gen. LI (1913), p. XC, n» 16748.

Sluiten