Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

d. Manden, doozen, tasschen en zakken.

1926/383 & 386. Zakken, van lontarbladreepen diagonaal gevlochten, de benedenhoeken schuin afgesneden, de zijden flauw convex, van boven flauw concaaf. De bodem zeshoekig; 386 met een, door den bovenrand geregen handvat. M.

H. 52,5 en 34,5, br. 33 en 25 cM.

1232/22. Zak (rombe1), als voren, doch de bovenrand naar buiten omgeslagen, zonder handvat. — Om gestampte rijst in te bewaren. Toradja's. L. 62, br. 33,5 cM.

12 32/33. Als voren (rombe), van «Var-bladreepen diagonaal gevlochten, doch veel kleiner, de bovenrand niet omgeslagen. — Wordt gebruikt om kleinigheden, als erwten, duiten, enz. op te bergen. Toradja's.

L. 18, br. 14 cM.

1926/384. Tasch, van lontarbladreepen diagonaal gevlochten, plat, rechthoekig, twee benedenhoeken uitstekend. M. H. 22, br. 27 cM.

1926/374, 385 & 387. Manden of tasschen, van lontarbladreepen diagonaal gevlochten, als voren, doch de bodem zeshoekig (374) of vierhoekig (385 en 387). De bovenrand zigzagvormig gevlochten en door een rij omgevouwen reepen van het midden gescheiden. M.

H. 18,5, 21,5 en 20, br. 32, 36,5 en 17 cM.

1926/661. Mandje (bako*), van onderen zeshoekig, van boven rond, van palmbladreepen volgens het dichte drierichtingssysteem (anjam gila*) gevlochten, met uitstekende punten langs den bovenrand. M.

H. 10,5, dm. 18 cM.

1926/612*). Als voren (abohó), doch van boven wijder uitloopend. De vorm, de vlechtwijze en het vlechtmateriaal als voren. Tominibocht. C of Nt). H. II, dm. 31 cM.

1647/851. Zakje (lama lama nganel), van ongekleurde «7«r6)-bladreepen diagonaal gevlochten, rechthoekig, het ondereinde smaller en in zes punten uitloopend, aan den bovenrand de reepen uitstekend. Door overvlechting met groene, gele en rose vezels zijn onregelmatige ruiten, randen en vierhoeken gevormd. Posso.

H. 21, dm. 7,5 cM.

1647/845. Mand (rantangi), bestaande uit drie over elkaar sluitende, afgeknot kegelvormige manden, waarvan de bovenste als deksel dient, de middelste een bodem in het midden, de onderste een aan de onderzijde heeft. Van ongekleurde silarbladreepen volgens het drierichtingssysteem gevlochten. De randen met dikkere reepen versterkt. Door overvlechting met rose, zwart of groen gekleurde reepen is een patroon gevormd: op de wanden rijen ruiten, zigzag- of rechte lijnen, op het bovenvlak van het deksel sterren, rhomben of groepen van drie ruitjes. Aan den omtrek eene rij steken van rood garen. Posso.

H. 21, dm. 22—27 cM.

1) Adriani en Kruyt, o. c. II, 328, 332. — Kruyt, Woordenlijst, 59, s. v. — Jasper, Vlechtwerk, 190.

2) Adriani en Kruyt, De Bar besprekende Toradja's, II, 328. — Jasper, Vlechtwerk, 165.

3) Jasper, o. c. 52, 60, 148, 199.

4) Cat. Bat. Gen. Suppl. I, p. 138, n« 6447.

5) De vorm van het voorwerp komt overeen met n° 1926/661, dat ontwijfelbaar uit Midden-Celebes afkomstig is, doch de naam doet denken aan Noord-Celebes (GorontaloV), is althans niet Barie.

6) Jasper, Vlechtwerk, 29.

7) Zie Jasper, Vlechtwerk, p. 161, fig. 227.

Sluiten