Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1647/847. Man d, als voren, doch uit slechts één mand bestaande, onderaan zeshoekig, van boven rond en nauwer toeloopend. Om bodem en bovenrand een rechtopstaande strook als voet, resp. randhoepel. De zijwand door zes opstaande, met verschillend gekleurd katoen bekleede reepjes in evenveel sectoren verdeeld, die met fijn, zigzagvormig en gekleurd vlechtwerk van «'/ar-bladreepen zijn bekleed; de vakken vertoonen afwisselend ongekleurde vierkanten met concentrische kern op gekleurden grond, of gekleurde kruisen op ongekleurden grond; over het midden van elk vak een blauwe streep; randhoepel en voet met ongekleurde zigzaglijnen of kruisen op gekleurden grond; de binnenzijde van den randhoepel vertoont eene rij paarse driehoeken. Posso.

H. 15, dm. 14—20 cM.

1647/848. Als voren (timbollo^), doch kleiner en de buitenwand met overvlechting van groene, roode, zwarte en paarse vezels, die rechte en zigzaglijnen en rhomben vormen. Posso.

H. 12, dm. 14—18 cM.

1647/844. Doos (bakoe èodo3) afgeknot kegelvormig, bestaande uit drie deelen, waarvan de beide onderste doozen met bodem, het bovenste deksel, alles over elkaar passend. De twee bodems volgens drierichtingssysteem a jour van bamboereepen, de wanden en bovenkant van het deksel volgens de gecompliceerde omslingeringsmethode") van «Var-bladreepen om rondgaande hoepels. De reepen ongekleurd, rood en zwart in rondgaande kringen, in het midden van hét deksel een driekleurige, draaiende zon. Posso. H. 21, dm. 18—24 cM.

1926/611*). Mand (bingka*), vierkant, zonder deksel, van ongekleurde bamboereepen zigzagvormig gevlochten. Om den bovenrand een ronde, om den voet een vierkante hoepel, door rotanreepen bevestigd. Todjo, Posso, Saoesoe en Parigi.

H. 11, dm. 28—28,5 cM-

l647/7S6- Ais voren (taroe*), van ongekleurde 6omèa'l)-reepen zigzagvormig gevlochten (tweerichtingssysteem), op den bodem drieslag, op de wanden tweeslag; de bodem vierkant, naar boven rond, met bamboe randhoepel, die met schuine, bruine rotanvezels is vastgebonden. Om den onderrand een dergelijke hoepel als voet; dwars door den bodem, diagonaal een paar bamboereepen ter versterking. Posso.

H. 9,5, dm. 32—40 cM.

804/2248). Doos, rechthoekig, met overschuivend deksel, uit de bladscheede van den sagopalm, door fijne rotanreepen aaneengenaaid; de opening van doos en deksel eveneens met rotanreepen omzoomd. Doos en deksel door middel van een koord, dat door een gaatje aan de smalle zijde van het deksel loopt en met een lus in dié van de doos is bevestigd, aan elkander verbonden. M.

L. 17, br. 12, h. 12 cM.

1926/5789). Mand (pangisa™), half bolvormig, met plat rond deksel en uitstaanden, diagonaal gevlochten voet. Ook de bovenrand van paren rotanreepen diagonaal gevlochten, de wand en het deksel open en lusvonnig11) gevlochten. — Voor kommen, enz. Todjo, Posso, Saoesoe, en Parigi.

H. 16, dm. 18,5 cM.

i) Zie Jasper, Vlechtwerk, p. 162, fig. 228. 2) Zie Jasper, Vlechtwerk, p. 155 fig. 208.

3) Jasper, Vlechtindustrie, 68. — Idem, Vlechtwerk, 57. — Mason, Vocabulary, fig. 27*.

4) Cat. Bat. Gen. Suppl. I, p. 137, n° 6431.

5) Adriani en Kruyt, De Bar besprekende Toradja's, II, 189, 197, 214, 282, 328. Kruyt

Woordenlost, 13, s. v. — Jasper, Vlechtwerk, 53, 159. — Kruyt, M. N. Z. G. XL, 131. '

6) Jasper, Vlechtwerk, 159. — Adriani en Kruyt, o. c. II, 135, 330.

7) Kruyt in M. N. Z. G. XL, 31, n. 1: Maranta arundinacea L.

8) Weber in I. A. f. E. III, Suppl. p. 38 met pl. L, fig. 21.

9) Cat. Bat. Gen. Snppl. I, p. 138, n° 6441.

10) Adriani en Kruyt, De Barfcsprekende Toradja's, II, 196 en 331. — Jasper, Vlechtwerk, 161.

ii) Mason, pl. XIV. — Lehmann, Flechtwerke, pl. X, fig. 5.

Sluiten