Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1926/658. Mand, met opschuivend deksel, cylindervormig, van ongekleurde rotanreepen volgens de eenvoudige omslingeringsmethode over horizontale hoepels gevlochten. Het deksel van boven concaaf, met eene opening in het midden. M.

H. 11,9, dm. 19,5 cM.

1647/856. Als voren (ratt/ang1), van vischgraatvormig, in rondgaande gangen gevlochten rotan danni-reepen, afgeknot kegelvormig, van boven het smalst en met, op een uitstekenden rand rustend, plat deksel. Het vlechtwerk van paren reepen, die op deksel en bodem in spiralen te zamen komen8). Posso.

H. 22, dm. 32—43 cM.

1232/5. Als voren (soemj>as), doch kubusvormig, van diagonaal gevlochten, ongekleurde en zwarte bamboereepen in een patroon van zigzagstrepen gevlochten. Het overschuivende deksel aan de zijkanten met-hetzelfde patroon als dat van de mand, met zwarten onderrand. — Om gestampte rijst in te bewaren. Toradja's.

H. 24, dm. 16 cM.

1232/4. Als voren, doch het, door de zwarte reepen gevormde patroon bestaat uit verticale zigzagstrepen tusschen twee evenwijdige, horizontale strepen. Op de zijwanden van het deksel verticale, evenwijdige strepen en op het bovenvlak vier vierkanten, ieder met een driehoek als kern, omgeven door concentrische randen. Toradja's.

H. 29, dm. 20 cM.

1647/13394). Als voren, doch volgens het drierichtingssysteem a jour van ongekleurde rotanreepen gevlochten; cylindervormig met opschuivend deksel. De bodem en het bovenvlak van het deksel eenigszins onregelmatig, zoodat een zesstralige ster met opstaande punten aan de randen zichtbaar is. De horizontale reepen der wanden van mand en deksel breed en dubbel; nabij den bovenrand yan de mand aan de buitenzijde een rondgaande, geheel omwoelde ring, waarop het deksel rust. De rand van de mand met zelfkant; aan dien van het deksel nog een afzonderlijke, geheel omwoelde ring8). Toradja's.

H. 24, dm. 18 cM.

1926/375. Als voren (bako9), doch van ongekleurde en zwarte bamboereepen zigzagvormig gevlochten, van onderen breed uitloopend en vierkant, van boven rond. Op den bovenrand twee breede bamboehoepels, door paren rotanreepen bevestigd. Ter versterking der wanden dienen vier breede, zwarte bamboereepen, die elkaar onder den bodem kruisen en aan den ondersten randhoepel bevestigd zijn. Bovendien verticaal op het midden der wanden een smalle, ongekleurde en zwarte reep. Met draagband van een rotanreep, die aan twee hoekstijlen bevestigd is. M.

H. 16,5, dm. boven 13,5, beneden 17 X 18 cM.

1926/388. Als voren (bako-bako"1), doch aan de buitenzijde drie evenwijdige, horizontale rijen afwisselend roode en zwarte ruitjes. De bovenste randhoepel zwart, de onderste rood, evenals de reepen, die verticaal over het midden der wanden loopen. Overigens als voren. Koelawi.

H. 15, dm. 27 cM.

1) Jasper, Vlechtwerk, 208.

2) Vgl. Mason, Vocabulary, s. v. Bottomwork met fig. 8.

3) Adriani en Kruyt, o. c. II, 188, 199. — Kruyt, Woordenlost, 66, s. v. sumpa.

4) Jasper, Vlechtwerk, p. 158, fig. 218.

5) mason, Vocabulary, fig. 26c.

6) Adriani en Kruyt, De Bar besprekende Toradja's, II, 328. — Jasper, Vlechtwerk, 159.

7) Adriani en Kruyt, 1. c. — Vgl. Jasper, Vlechtwerk, p. 160, fig. 223. — Meyer und Richter, pl. XVII, fig. 19.

Sluiten