Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1232/7. Mand, als voren (bingka wando1), doch van ongekleurde en zwarte bamboereepen volgens het drierichtingssysteem gevlochten. Van boven rond, de bodem zeshoekig. De doorvlechting met ongekleurde reepen vormt horizontale en schuine evenwijdige lijnen. Randhoepel van rotan. Toradja's. H. 6, dm. 19—24 cM.

1647/741. Als voren (bingka lepa of wando3), doch alleen de buitenzijde zwart geverfd. De vlechtwijze als voren (rawis). Door overvlechting met ongekleurde reepen is aan de buitenzijde en den bovenrand der binnenzijde een patroon gevormd van rijen ruitjes, op den bodem volgens zes stralen, op de wanden in rondgaande rijen gegroepeerd. Posso.

H. 7,5, dm. 21—32 cM.

1647/763. Als voren (bingka lora% doch van ongekleurde, zigzagvormig gevlochten bamboereepen; de bodem vierkant, van boven rond; door eene wijziging in de vlechting vertoonen de wanden aaneensluitende groote vierkanten. Aan den bovenrand zelfkant. Posso.

H. io,s, dm. 12—21 cM.

l647/i346 & 1346a. Als voren, doch in bewerking; bij n° 1346a de bamboeschilreepen nog niet overgevlochten; bij n° 1346 is door overvlechting met bastreepen van bamboeschil een patroon gevormd: op den bodem concentrische vierkanten en op de wanden staande en rondgaande rijen streepjes. Nog niet zwart geverfd. Toradja's.

H. 8,5 en 8, dm. 15—24 en 15—23 cM.

1232/12. Als voren (bingka*), doch zwart gekleurd. Door ongekleurd gebleven reepen is aan de buitenzijde een patroon gevormd van rechthoeken met witte blokjes tusschen evenwijdige, horizontale strepen en op den bodem concentrische vierkanten. De zijden van onderen concaaf, met uitstekende hoeken. Toradja's.

H. 9, dm. 13—25 cM.

1926/642. Als voren, doch het patroon aan de buitenzijde bestaat uit twee rijen zwarte sterren met een witte stip in het midden op ongekleurden grond6). De bodem als voren. M.

H. 10, dm. 20—27 cM.

1926/643. Als voren, doch de binnenzijde ongekleurd, de buitenzijde zwart met een patroon van ongekleurde driehoeken en langs den bovenrand een vischgraatvormig gevlochten band. De bodem ongekleurd. M.

H. 9,5, dm. 17,5—26 cM.

1926/390. Als voren, doch langs den bovenrand een roode en een ongekleurde, geheel met gele vezels omwoelde hoepel. Het vlechtpatroon aan de buitenzijde bestaat uit horizontale rijen zigzagstrepen, aan weerszijden begrensd door drie verticale, evenwijdige zwarte strepen op ongekleurden grond. M.

H. 13, dm. 16—26 cM.

1926/648. Als voren, doch het vlechtpatroon aan de buitenzijdé bestaat uit afwisselend zwarte en met groepen van vier of vijf ruitjes7) gevulde rechthoeken. Op den

1) Jasper, Vlechtwerk, 160. —< Adriani en Kruyt, o. c. II, 328, 333.

2) Jasper, 1. c. — Wando sa gek, evenals gila (Mal.) in anjam gila. (Kruyt, Woordenlijst, 81, s. v.).

3) Jasper, 1. c. 53.

4) Jasper, Vlechtwerk, 74, 75, 160, 161, 177, 221, 234. — Adriani en Kruyt, o. c. II, 330 332. — kruyt, Woordenlijst, 13, s. v. bingka.

5) Vgl. Meyer und Richter, Celebes, I, pl. XVII, fig. 19. — Af. JV. Z. G. XL, 131, 143.

6) Adriani en Kruyt, o. c. pl. hoofdstuk nijverheid, onderaan links: pemata ntjaogoe.

7) Adriani en Kruyt, pl. hoofdstuk nijverheid, fig. in het midden.

Sluiten