Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ï977/741)' Bamboekoker, als voren, geheel met snijwerk versierd, dat over acht banden verdeeld is. Ieder dier acht banden weer verdeeld in vierhoeken, gevuld met driehoeken, ruiten, vierkanten, die óf gestreept óf met zandloopers gevuld zijn, ineengekrulde spiralen, s-vormige figuren, enz. De stop onversierd. M.

L. 44, dm. 6,5 cM.

I977/75; Als_ voren, doch langer; het ornament verdeeld over 18 banden en bestaande uit: ruiten, vierbladerige bloemen, radfiguren, driehoeken, enz., alles in vier-i hoeken en gescheiden door ongekleurde zigzaglijnen op zwarten grond. M.

L. 63,8, dm. 4,5 cM.

1977/76. Als voren, doch veel kleiner en zonder stop; het ornament over slechts drie banden verdeeld en bestaande uit ruiten, radfiguren, maeanders, enz. M. L. 10,5, dm. 2,6 cM.

I977/77- Als voren, doch de bodem en het bovenvlak van de stop versierd met een achtbladerige bloem en de zijden van de stop met ongekleurde ruiten op zwarten grond. De koker versierd met twee banden, gevuld met ruiten, radfiguren, kruisbloemen, enz. De banden door twee rijen zigzagstrepen begrensd. M.

L. 17,8, dm. 5,1 cM.

Zie deel XVIII, pl. VI, fig. 3.

1300/68. Wieg (kobati3), rechthoekige bak van bruin hout, aan een der korte zijden open, het andere korte einde met ingesneden krullen op den bovenrand. De zijwanden steken aan deze zijde over, zijn eenigszins opwaarts gebogen en in den vorm van een dieren (vogel ?)kop gesneden. De lange zijwanden verbonden door een bamboekoker en een vierkant balkje bij het open einde en een overgelegd, in gaten stekend plankje bij het gesloten einde; nabij het open einde ligt op de lange wanden nog een trapeziumvormig plankje, met touwtjes bevestigd; die wanden zijn bovendien nog verbonden door een kruiselings, door gaten gestoken koord. De bodem wordt gevormd door bamboelatjes in de lengte, het beloop van de zijwanden volgende, steunende op dwarslatjes en op enkele plaatsen dwars doorvlochten met rotanreepen. Bijgevoegd zgn twee kleine rolkussens en een platte reep diagonaal gevlochten rotan met een oog op het eene en eene lus aan het andere einde. — Dient voor het afplatten van den schedel bij kinderen. De wiegen worden gewoonlijk als familiestuk bewaard en zijn moeielijk te krijgen. Toradja's.

L. 83,5, br. 26 cM.

'926/3S9- Als voren, doch de lange zijwanden met bladkrulvormig snijwerk en reliëf, de vooruitstekende einden è jour versierd. De beide korte einden gesloten door een verticaal ingestoken, houten plankje. De beide lange zijden verbonden door een ingestoken horizontaal plankje en twee bamboekokers. De bodem als voren. Zonder kussens. M.

L. 116, br. 33, h. 19,5 cM.

804/239*). Mesje, effen lemmet met flauw concaven, breeden rug en convexe snede, die met den rug een scherpe punt vormt, beneden de greep versmald en van eene diepe uitsnijding voorzien. Greep van grijs hoorn, in doorsnede ovaal, wier boveneinde plat achterover gebogen en aan het uiteinde van eenige inkepingen voorzien is. Scheede van wit hout, uit twee helften bestaande, die worden bijeengehouden door twee vischgraatvormig gevlochten rotanringen, de eene aan het knopvormige uiteinde der scheede, de andere op eenigen afstand van het boveneinde,

1) Serie 1977 don. erfgenamen Mr. M. C. Piepers, Nov. 1919.

2) Adriani en Kruyt, o. c. II, 57, 188. — Van Hoêvell in 1. A. f. E. VI, 190. Af. N.

Z. G. XL, 268. — Kruyt, Woordenlijst, 34 s. v.

3) Weber in I. A. f. E. III, Suppl. p. 39 met pl. I, fig. 6.

Sluiten