Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

i232/57- Werpspies (ka/ai1), de losse punt met unilateralen weerhaak, de steel cylindervormig, door omwinding met zwart vezeltouw bevestigd aan de schacht van bruin hout, die van onderen in een scherpe ijzeren punt uitloopt. Toradja's.

L. 189, 1. punt 28, br. 3,4, dm. schacht 2 cM.

804/259*). Als voren, doch de ijzeren punt niet met vezeltouw omwoeld. De steel eerst plat vierkant, vervolgens cylindervormig en in een bus uitloopend. Schacht van ruw bewerkt palmhout, het boveneinde kolfvormig verdikt Zonder punt aan het ondereinde. M.

L. 178, 1. punt 29, br. 2,7, dm. schacht 2,7 cM.

1926/891. Blaasroer (sopoe3), van bamboe. Binnenin een smallere buis. M. L. 176, dm. 2,2 cM.

I232/S3- Als voren (sopoe*), doch aan het einde zijn twee breede reepen leder bevestigd. Het mondstuk en het uiteinde van stukjes zwart hout. To Lage. L. 221, dm. 2,6 cM.

804/2236). Als voren, doch van palmhout vervaardigd, ongeveer in het midden der lengte omwoeld met een diagonaal gevlochten rotanband en bijna de geheele bovenhelft met rietreepen omwoeld, waaronder de plat vierkante steel van een lancetvormige, ruw bewerkte, ijzeren punt is bevestigd. M.

L. 191, dm. 2,5, 1. punt 31, br. 2 cM.

804/222*). Pijlkoker ?), van bamboe, met opschuivend deksel van bamboe, beide met een vischgraatvormig gevlochten ring van rotanreepen omwoeld. Over den ring van den koker is eene rotanlus bevestigd, om dezen aan den gordel te dragen. De koker bevat een aantal pijltjes *) van bamboe met puntige of lancetvormige spitsen en met afgeknot kegelvormige, op de ondereinden geschoven stukjes zacht hout. M.

L. 46, dm. 7,5 cM.

1232/54. Als voren (ioki*), doch om den koker drie en om het deksel twee diagonaal gevlochten rotanbanden. Aan den bovensten band om den koker is een, volgens het omslingeringssysteem gevlochten rotanmandje met convexen bodem en verbreed ondereinde, dienende om zwam in te bewaren, en een stukje schedel, dat als amulet dient, bevestigd. In den koker een groot aantal pijltjes. To Lage.

L- 35,5, dm. 10, 1. pijltjes 23 cM.

1926/378. Als voren, doch een paar, op vier plaatsen met groepen van drie zwarte reepen omwonden, waardoor een gevorkte boomtak, die dient, om de kokers op te hangen, wordt vastgehouden. Het deksel met een, resp. twee diagonaal gevlochten rotanbanden omvlochten. Een koker met pijlen gevuld. M.

H. 53, dm. 5,7 cM.

1) Adriani en Kruyt, De Bartc-sprekende Toradja's, LT, 358, onderste afb. — Kruyt in Af. N. Z. G. XLI, p. 4 met pL I, fig. a. — Vgl. Meyer und Richter, Celeies, L pl. V, fig. 1, pl. Xm, fig. 1, pl. XXII, fig. 5 en pl. XXV, fig. 11 en 13.

2) Weber, ƒ. A. f. E. III, Suppl. p. 41 met pl. I, fig. 2.

3) Adriani en Kruyt, De Baric-sprekendc Toradja's, II, 361. — Kruyt, Woordenlgst, 65, s. v. sopu. — Idem, Af. N. Z. G. XL, 138—139, XLI, 5—9 met pl. II, fig. a—d. — Kaudern, ƒ Celebes obygder, I, 298: hopoe; II, 266: sopoet.

4) Kruyt in Af. N. Z. G. XLI, 6.

5) Weber, I. A. f. E. III, Suppl. p. 40 met pl. I, fig. 13.

6) Weber, 1. c. p. 40 met pl. I, fig. 19.

7) Kruyt, Af. N. Z. G. XLI, 6 met pl. II, fig. e. — In Lamala kadés (Kaudern, II, 267).

8) Talara (Kaudern, o. c. I, 298).

9) Kruyt in Af. N. Z. G. XLI, 6—7 met pl. I, fig. e—f. — Adriani en Kruyt, o. c. II, 361.

Sluiten