Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1926/377. Pijlkoker, als voren (tokt), een paar1), doch op zeven plaatsen met een diagonaal gevlochten band van zwarte vezels en op zes plaatsen met paren gele vezels omvlochten, de bovenrand rood gekleurd. Het deksel met twee banden diaganaal gevlochten zwarte vezels omwonden. Een koker gevuld met een aantal pijlen, waarvan sommige met weerhaken van bamboe of ijzer. De gevorkte boomtak aan het boveneinde van drie groepen van drie insnijdingen voorzien. M.

H. 36,5, dm. 7 cM.

1232/55. Strikken (banfara3), elf stuks, bestaande uit een puntig stokje van palmhout, aan welks einde twee lusvormige rotanreepen zijn bevestigd en die alle met een rotanring verbonden zijn. — Om wilde boschkippen te vangen. Toradja's.

1926/21. Als voren (ban/ara), doch bestaande uit een aantal bamboehoepels, waarvan sommige met rotanreepen diagonaal omvlochten zijn en door rotanlussen loopen. — Om boschhanen te vangen. M.

1232/56. Mandje5), tot vervoer van een lokhaan. Cylindervormig, van spiraalvormig opgerolde reepen bamboe, die met rotanreepen volgens de omslingeringsmethode omwonden zijn. Van boven geheel van rotan, afgeknot kegelvormig, met eene ronde opening. De bodem gesloten door een halfcirkelvormige plank. Aan twee met rotanreepen omwonden latten langs den wand zijn twee rotanlusten bevestigd, waardoor een touw geregen is, waaraan een Ned.-Indische cent, een hoornen ring en een puntige, houten stok bevestigd zijn. Toradja's.

H. 22,5, dm. 8—16 cM.

2. Vischvangst.

1232/52. Harpoen (sarompo*), met drie ijzeren punten, in doorsnede vierkant, ieder in een unilateralen weerhaak uitloopend, waarvan een naar rechts en twee naar links gericht zijn. Deze drie punten zijn aan de schacht bevestigd door omwinding met touw en diagonale omvlechting met rotanreepen. De schacht van geel hout met twee diagonaal gevlochten rotanbanden omwonden. Toradja's.

L. 206, 1. punt 17, dm. schacht 2,3 cM.

1377/98). Vischlijn (peka6), van in elkaar gedraaid, voor het grootste deel met hars bestreken touw, met ijzeren haak. To Rano. L. haak 5 cM.

1926/395. Werpnet7), van lichtgrijs garen geknoopt, met ronde stukken licht hout als dobbers en schelpen als zinkers. M. Br. 30,75, 1. 0,77 M.

1926/381. Schepnet, rond, bestaande uit een cirkelvormig gebogen, geelhouten staaf met een dun staafje aan den binnenkant, waaraan door omwinding met rotanreepen een net van wit garen bevestigd is. M.

Dm. 48 cM.

1) Adriani en Kruyt, De Betrede-sprekende Toradja's, II, 363, afb. — Kruyt, Af. N. Z. G. XLI, 9 met pl. I, fig. g.

2) Af. N. Z. G. XLI, 14. — Meyer und Richter, Celebes, I, pl. XVIII, fig. 8. — Adriani en Kruyt, II, 368 met afb. — Kruyt, Woordtnlgst, 11, s. v. — Cat. Bat. Gen. Suppl. II, p. 60, n° 8828.

3) Af. N. Z. G. XLI, 14. — Meyer und Richter, Celebes, I, pl. XXVII, fig. 16. — Sarasin, I, p. 97, fig. 40.

4) Vgl. Meyer und Richter, Celebes, I, pl. XIII, fig. 2 en pl. XXV, fig. 2. — Af. N. Z. G. XLI, 16 met pl. I, fig. d. — Adriani en Kruyt, II, 376. — Cat. Bat. Gen. Suppl. II, p. 60, n° 8827. — Kaudern, I, 556. — Vgl. Boonstra van Heerdt (7*. N. A. G. 2e Ser. XXXI), p. 625.

5) Serie 1377 don. A. C. Kruyt, April 1903.

6) Kruyt, Woordenlijst, 53, s. v. — Af. N. Z. G. XLI, 17.

7) Vgl. Adriani en Kruyt, De Barie-sprtkende Toradja's, II, 373. — Af. N. Z. G. XLI, 15.

Sluiten