Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1232/36. Wiedijzer (satira1), het lemmet halvemaanvormig, met sterk convexe snede en flauw concaven rug, een stompen hoek vormende met den langen, in doorsnede vierkanten steel, die in een cylindervormige greep van lichtbruin hout, met verdikt, met rotanreepen diagonaal omwonden ondereinde steekt. — Om het gras tusschen de rijst te wieden. Toradja's.

L. 39, L lemmet 11, br. 3,5, 1. steel 12, dm. greep 3,5 cM.

1456/58. Wiedmes (saiira*), het lemmet flauw gebogen, de snede en de naar voren dunner wordende rug evenwijdig, het vooreinde ruw afgerond; lange, rechthoekige steel, naar achteren smaller. Ruwe greep van geelbruin hout, cylindervormig, gesprongen, gedeeltelijk met ongekleurde en bruine rotanreepen vischgraatvormig omvlochten. Tb Pebato, Mafane.

L. lemmet 23, br. 3,8, 1. greep 12,5, dm. 2,7 cM.

1647/735. Oogstmandje (kamboko% van ongekleurde, rechthoekig gevlochten /a«rfa«-reepen; de bodem vierkant, van boven rond, van binnen en buiten met platten bamboerandhoepel, die met rotan vezels is vastgebonden. Tegen een deel der buitenzijde, die daardoor afgeplat is, vijf platte, ingestoken bamboereepen. — Bij den rijstoogst in gebruik. Posso.

H. 17, dm. 21 cM.

1300/16. Mand (soetnpa4), van diagonaal gevlochten /a»//a«-bladreepen, onderaan vierkant, van boven rond; overschuivend deksel met vierkant bovenvlak. De mand is besloten binnen een tweede van gelijken vorm, zonder deksel, doch met een doorgestoken zwarten varen (?) reep nabij den bovenrand. — Voor het bewaren van ontbolsterde rijst. Toradja's.

H. 27, 1. en br. 14—18 cM.

1647/13446). Als voren, doch van zigzagvormig gevlochten bamboereepen, met vierkanten bodem en eenigszins overschuivend deksel. De wanden eenigszins bol. Door overvlechting met bamboeschil zijn de bodem en bovenkant van het deksel en het aangrenzende deel van de wanden geheel bedekt en verder op de wanden figuren gevormd: rondgaande zigzagrijen, op den wand van de mand in rechthoeken gegroepeerde ruiten, op dien van het deksel in eene zigzaglijn gegroepeerde ruiten. Na de overvlechting is de geheele wand in zwarte verfstof gedompeld, de schil neemt daarbij geen kleur aan. — Voor het bewaren van gepelde rijst. Toradja's.

H. 23, 1. en br. 14 cM.

1300/14. Mand (bingka lepa9), van bamboereepen zigzagvormig gevlochten, vierkant, naar boven iets wijder; de bovenrand van binnen en buiten met randreep van gespleten rotan, door omwikkeling met fijne rotanreepen bevestigd. De buitenzijde geheel met glimmende bamboereepen overvlochten, aan de binnenzijde alleen een rij streepjes. Aan den bovenrand een lus van dunne rotan. — Veelal dienende, om daarin ontbolsterde rijst te vervoeren. Grootere soorten worden gebruikt, om daarin rijst uit te treden, die als vazApadi moet dienst doen. Toradja's.

H. 9,5, 1. en br. 30—39 cM.

1647/750. Rijstzak, van diagonaal gevlochten lelangi (=^*a«^7)-reepen, onge¬

il Vgl. Meyer und Richter, pl. XVIII, fig 10. — Adriani en Kruyt, II, 242, 253. — Kruyt, M. N. Z. G. XXXIX, 132. — J. Kruyt, B. T. L. Vk. LXXX, 158: saira.

2) Meyer und Richter, Celebes, I, p. 80, n° 401 met pl. XVIII, fig. 11.

3) Adriani en Kruyt, II, 277, 331. — Jasper, Vlechtwerk, 161.

4) Adriani en Kruyt, II, 188, 199. — Kruyt, Woordenlost, 66, s. v. snmpa.

5) Zie Jasper, Vlechtwerk, p. 160, fig. 225.

6) Med. Ned. Zend. Gen. XXXIX, 134, XL, 131. — Adriani en Kruyt, II, 328, 333. — Kruyt, Woordenlost, 13, s. v. bingka. — Jasper, Vlechtwerk, 160.

7) Corypha umbraculifera (Filet, n° 2456) of Corypha Gebanga Bl. (de Clercq, n° 887).

Sluiten